PDF Print E-mail

 

Onderwijs is wat ik doe, leraar wie ik ben.    Gepubliceerd in het boek Collega's van Pieter Leenheer

Ik ben leraar. Mijn vader was dat ook. In zijn vijfendertigste levensjaar werd hij rector. Ik ging na mijn 10.000 uur voor de klas schrijven, lesmateriaal ontwikkelen en leraren opleiden. Nog steeds werk ik drie dagen per week op een middelbare school. Onderwijs is wat ik doe, leraar wie ik ben. En met mij gaat het prima. Maar met mijn werkomgeving niet. Onderzoekers, leraren, bestuurders en schoolleiders praten wel over elkaar, maar niet met elkaar. En die gebrekkige cohesie is niet handig. Vergelijk het met de gezondheidszorg. Stel, een onderzoeker vindt de pil tegen kanker uit. De industrie fabriceert, de dokter schrijft voor, de verzekering vergoedt en de patiënt geneest. Ziehier de keten van idee naar product naar succes. Hapering daarin is moord. En zo erg wordt het in het onderwijs nooit. Maar verbeteringsideeën verdwijnen wel in het zwarte gat van de desintegratie. De middelbare school kan de laatste decennia geen enkele succeservaring overleggen. Dat komt door de afwaardering van de praktijkkennis van de leraar.

Ga naar een school. Vraag naar een goede docent en kijk. Jij ziet niet wat hij precies doet. Maar na een paar minuten gaat de les ergens over. De leraar die zijn leerlingen als vanzelf aan het werk krijgt, heeft een anekdote paraat, schakelt achteloos door naar wat moeilijk is, gevolgd door een vraag die het geleerde controleert. Over hoe kinderen zich in een klas horen te gedragen, twijfelt hij zelden. Zijn instructies laten weinig ruimte voor gekkigheid. Dit alles weet hij niet alleen, het zit in hem. Kijk ook naar de leraar die deze praktijkkennis niet heeft. Verbaas je over het gedoe, de spanning, het verzet, de lamlendigheid. Denk dat het aan de hedendaagse jeugd ligt. Maar het is de leraar die faalt.

Deze praktijkkennis is meer dan kennis van de praktijk. Meer dan ervaring. De wetenschapper Eric Verbiest definieert het begrip als ‘een geheel van opvattingen, intuïties, emoties, waarden met betrekking tot hoe in een concrete situatie als leerkracht gehandeld moet worden. Deze vaak impliciete kennis is onmisbaar om in de complexe en soms hectische situatie van een klas efficiënt te handelen’.[i] Praktijkkennis ontwikkelt zich vanuit studie en gesprekken met collega’s. Vervolgens maakt de cyclus voornemen, doen en terugkijken het karwei af. Bewezen succesvolle onderwijsstelsels zoals in Finland, Shanghai en Zuid-Korea selecteren hun leraren uit het slimste kwart van het hoger onderwijs. De overheid regelt het curriculum, de gebouwen en het beheer. De beste leraar geeft leiding aan de school. Met elkaar ontwikkelen slimme leraren op de werkplek effectieve praktijkkennis. Dat is wat het stelsel bij elkaar houdt.

Maar in Nederland devalueert de waarde van de praktijkkennis. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het big government concept –maatschappelijke problemen oplossen met verhoging van de collectieve uitgaven- is dan failliet. De Angelsaksische bezems privatisering, verzelfstandiging en deregulering vegen schoon. Journalist en televisiemaker David Simon, bekend van de succesvolle serie The Wire, legt in een vraaggesprek met Raoul Heertje[ii] uit hoe dit denken de kwaliteit van de journalistiek uitholt. Vaak bestaat het idee dat de opkomst van internet de kranten kapot maakt. Volgens Simon werkt het anders. Eerst verzamelen kapitaalverschaffers zich in grote investeringsmaatschappijen. Zij nemen meerdere kranten onder hun hoede. Daardoor verschuift de doelstelling van het maken van een goede krant naar winst. Meer met minder. En dus worden redacties kleiner. Het enthousiasme van de aandeelhouders groeit. En dan breekt het internet door. Tja, als de termieten de fundamenten van een gebouw wegvreten, hoeft de wind niet meer zo hard te blazen om het te laten instorten.

De transformatie van de Nederlandse middelbare school verloopt eender. Dat kinderen een aantal zaken niet meer leren op school, in het publiek debat gaat de beschuldigende vinger naar mislukte onderwijsvernieuwingen. Los van dat het met die innovatie in de klas wel meevalt, er gaat iets aan vooraf. De nationale uitgaven aan onderwijs dalen van acht procent van het bruto binnenlands product naar vijf. Verzelfstandigde besturen nemen meerdere scholen onder hun hoede, pompen daar human resource management en eigentijdse pedagogische didactische concepten in. Die pedagogisch didactische concepten stellen niet het werk van de leraar, maar het leren van kinderen centraal. Kinderen maken van informatie kennis. Dat doen ze zelf. Vanuit hun leervraag. Kennis doorgeven is ook zinloos. Vanwege het internet. Niet de leraar die geld kost, maar de leerling die een overheidssubsidie oplevert staat centraal. Inderdaad, meer met minder. Ook in de schoolorganisatie moet het anders. Want een leven lang lesgeven daagt niet uit. Vandaar dat schoolbestuurders nieuwe functies bedenken. Leraren gaan carrière maken, vervullen steeds vaker niet lesgebonden taken, zoals de zorg rond leerstoornissen, de aansturing van collega’s, internationalisering of het onderzoeken van de lespraktijk. Alles bij elkaar heet dit in bestuurlijke kring een paradigmashift.

Maar de traditionele vakdocent past niet in die paradigmashift. Want zijn praktijkkennis is ambachtelijk en ondeelbaar. Mijn kwaliteit is dat ik abstracte vakbegrippen en technieken kan verbinden met wat kinderen kunnen en weten. Tijdens het lesgeven merk ik hoe dat uitpakt. Mee- en tegenvallers leiden tot bijstellingen. Ook in de toets. Maar de vele functionarissen van de moderne schoolorganisatie begrenzen mijn autonomie. Geert ten Dam, de voorzitter van de Onderwijsraad, constateert in het dagblad De Limburger[iii] dat leraren steeds vaker uitvoerders zijn van elders bedachte concepten.

De constatering van Ten Dam is het resultaat van een subtiel proces. Het werkt als een virus. Na elke besmetting is de leraar weer een stukje kleiner. Als de belastingbetaler geld overheeft voor beter onderwijs gaat dat van overheid naar bestuur naar school. Sturing en verantwoording vreten gulzig van het budget. De leraar en zijn klas krijgen de restjes. Vanaf 2015 gaat de wet tussentijdse toets de lesopbrengst verhogen met een leerlingvolgsysteem. Dat is een stelsel van leerstandaarden met niet methodegebonden toetsen, correctievoorschriften en administratieve verantwoording. Het zijn deze virale besmettingen die de praktijkkennis uitputten.

Mijn vader is al even dood. Ik geef nog vijftien jaar les. Mijn zonen zijn parttime onderwijsassistent. Een groep kinderen aan het werk zetten. Een veilige werksfeer creëren. Het gaat ze makkelijk af. Zo betalen zij hun studie. Maar daar blijft het bij. Ik deel mijn praktijkkennis met ze, maar zij willen nooit worden als ik. Een persoonsgebonden incident? Zou kunnen. Maar echt, ik ken geen collega die wil dat zijn kinderen in zijn voetsporen treden. En dat is, ja, wat is dat eigenlijk?

 

 



[i] Uit het artikel De schoolleider als leraar van Eric Verbiest, gepubliceerd op 9 november 2009 op de website MeJudice (zie http://www.scienceguide.nl/de-schoolleider-als-leraar.aspx ). Verbiest is onderwijskundige en tot 2010 als lector verbonden aan de Fontys Hogeschool.

[ii] Zie aflevering Wintergasten van 28 december 2009, http://www.vpro.nl/programma/wintergasten/afleveringen/42629235/

[iii] Zie De Limburger van 26 september 2013