Minder overheid en meer leraar motiveert leerlingen PDF Print E-mail

Het heeft tot 2016 moeten duren. Maar eindelijk presenteren CITO en CvTE een goed economie-examen voor het vwo. Een examen dat toetst wat in de les geleerd is. Wel jammer dat de N term op 0,6 ligt. Maar ja, het aantal onvoldoendes moet elk jaar op 25% liggen. Dat is dan toch maar weer mooi gelukt.

Het centraal schriftelijk eindexamen in het vak economie voor het vwo is goed dit jaar. In ieder geval beter dan voorafgaande versies. Leerlingen kijken middels een heldere vraagstelling vanuit verschillende economische perspectieven naar maatschappelijke kwesties. Beleggers op de vlucht voor economische neergang, een farmaceutisch bedrijf met een patent, beweging op de Chinese arbeidsmarkt, de prijs van telecommunicatie. Voorheen moesten kandidaten ellenlange matig geschreven teksten, gelardeerd met statistieken, doorploegen, voordat ook maar één vraag gesteld werd. Nu volgt na een korte introductie een herkenbaar modelletje. Dus niet de vakoverstijgende vaardigheden, de van thuis meegenomen algemene ontwikkeling, maar economische begrippen en technieken, geleerd in de les, bepalen het succes. Producent CITO en de afnemer van het centraal schriftelijk eindexamen, het rijksorgaan College voor Toetsing en Examens (CvTE), komen na langdurig dwalen door de dorre woestijn van de intelligentiemetingen eindelijk met een werk dat aangeleerde vakkennis toetst. Daarvoor verdienen ze een compliment.

 

Maar de nationale toetsgiganten verdienen ook een reprimande. Want terwijl leerlingen op het examen goed scoren op de van hun leraar geleerde vakkennis, krijgen ze geen hoger punt. Niet de leraar, maar het staatsorgaan CvTE bepaalt namelijk het eindresultaat. Dat gaat zo. Leerlingen maken het werk, hun leraar kijkt het na, een tweede corrector controleert dat en het resultaat op basis van gegeven antwoorden is een feit. Daarna stelt het CvTE de zogenaamde N term vast. Die N term zet de scores om in het examenpunt.

De vaststelling van die N term is een onnavolgbaar proces. Ik probeer het uit te leggen. Vroeger kreeg een leerling één punt voor het opschrijven van zijn naam. Met goede antwoorden kon hij de overige negen punten verdienen. Soms, heel soms, als het examen slecht gemaakt was, werd dat ene punt iets hoger, maar er ging nooit wat af. Dat ene punt heet vandaag de dag N term. Elk vak krijgt een door het CvTE bepaalde N term tussen nul en twee. Voor de duidelijkheid; een N-term onder één staat voor een reductie op het eindresultaat. Bij het economie-examen gaat het zo. Goed gemaakt betekent een lage N-term. Zodat het eindresultaat op een kwart onvoldoendes en een zes komma drie gemiddeld uitkomt. Dat is het jaarlijks terugkerend beeld. Ook deze keer. De legitimatie van het CvTE luidt; de bepaling van het eindcijfer mag ingewikkeld lijken, maar wij verzamelen zorgvuldig informatie, vergelijken die informatie zorgvuldig met eerdere resultaten en komen zo tot een zorgvuldig bepaald eindresultaat. Die zorgvuldigheid betekent dat als alle leerlingen alleen maar goede antwoorden geven, het CvTE de cijfers net zo lang boetseert en manipuleert tot er een zes-komma-drie gemiddeld met een kwart onvoldoendes uit komt. En zo gaat het bij alle vakken. Het ministerie van onderwijs doet vervolgens een persbericht  uitgaan. Het centraal schriftelijk eindexamen is ook dit jaar weer goed gegaan. Journalisten tikken argeloos hun jubelende stukjes. Het onderwijs presteert best aardig.

En dat is voor een deel ook zo. Nederlandse leerlingen kunnen goed toetsen maken. Daardoor scoren ze hoog in de landenvergelijkende klassementen van de OESO. Die statistieken zijn namelijk gebaseerd op gelijksoortige testen. Afgenomen bij vijftienjarigen. Vreemd is die vaardigheid van de Nederlandse leerling niet. Het is ze met de paplepel ingegoten. Toetsmonopolist CITO begint met het op deze manier vastleggen van leerprestaties op de basisschool. Met het leerlingvolgsysteem. De zogenaamde ‘niet-methodegebonden toetsen’ meten niet de geleerde vakkennis, maar de algemene vaardigheid van het kind, in relatie tot de vaardigheid van de totale populatie. Ook hier is het niet de onderwijzer, maar het toetsinstituut dat de score bepaalt. Middels centrale normering.

Betrouwbaar en valide toetsen, gebruik maken wat we daar van weten, het is niet iets om tegen te zijn. Maar we zijn wel doorgeslagen. En dat heeft gevolgen. Want de meetmaniakken drijven de schooljeugd richting obsessie voor het goede antwoord op de toetsvraag. Het kraken van deze code is een sport op zich. Losgezongen van vakkennis en maatschappelijke betekenis. Terwijl op lange termijn daar toch echt het plezier, de leergierigheid en de creativiteit zitten. En laat die factoren nu juist het toekomstig studiesucces bepalen.

Vergeet niet, jaarlijks verschijnen alarmerende onderzoeken over de lage motivatie van scholieren. De jeugd ontmoet op school leeftijdsgenoten, vermaakt zich ook prima, maar wil niet leren van de leraar. Ziehier het reëel gevolg van de overdreven aandacht voor objectief toetsen. Enkel de toets, met zijn even ongrijpbare als schijnexacte beoordelingsprocedures, stuurt het leergedrag. Een beetje minder mag best. Stop daarom met punten afpakken bij een goed gemaakt examen. Geef de leerling zowel in het eindresultaat, als in de weg daar naartoe, wat hij verdient. Een beklijvend leerrendement. Ontwikkeld in klaslokalen. Geleid door gezaghebbende en erudiete leraren. Dat zorgt voor leerplezier. Dat betaalt onze welvaart. Voor altijd.