Rebellenclub PDF Print E-mail

Het onderwijsblad     nummer 4      2007 

Achter in de Volkskrant lees ik een intrigerend bericht: Jos Elbers stapt op bij Inholland. Vijf jaar

bijtekenen was een optie, maar hij is toe aan iets anders en denkt daarbij aan een zetel in de Eerste Kamer voor zijn partij D66.
Elbers is dé onderwijsmanager van Nederland. Een salaris van 225 duizend euro per jaar en een bestuurlijk handelen dat rust op de pijlers schaalvergroting en innovatie, hebben van hem een rolmodel gemaakt.

Even de film terugdraaien. Na samenbrengen van verschillende hogescholen binnen de mega instelling Inholland, bezuinigde Elbers op contact tussen docent en student en noemde dat competentiegericht leren. De opstand van het voetvolk sloeg hij resoluut neer. Toen het conflict de buitenwereld bereikte, stelde hij zich in het televisieprogramma Nova nederig op: de tegenstanders heeft hij helaas niet kunnen meenemen in de vernieuwing. Op de website van Science guide staat echter keiharde taal. Letterlijk: ‘Caoutchouc-management, dat hebben we dus niet willen plegen. Je weet wel, van dat rubberen, onvaste gedrag.’ Toch leiden aanhoudende berichten over slechte kwaliteit tot een beleidswijziging. Studenten krijgen inmiddels weer meer les.

Achter deze waarneembare gebeurtenissen, speelt waarschijnlijk een soap met slechts één verliezer. Elbers kan in vijf jaar ruim een miljoen euro verdienen, maar laat deze zilvervloot passeren. De exit-strategie richting politiek is evenmin geloofwaardig. Elbers staat laag op de kandidatenlijst. De ondergang van een zonnekoning, daar doet dit aan denken. Nu maar hopen dat alles, inclusief gênante details, naar buiten komt. Waarom? Omdat het onderwijs inmiddels vele Elbersen kent.

Half jaren negentig verlaat de politiek de sector. Een groep ambitieuze oud-leraren vormt een managementcoterie en vult het machtsvacuüm. Verzelfstandiging en lumpsum scheppen vervolgens de voorwaarden voor een topzwaar organisatiemodel. De race op het concours naar particulier succes gaat van start. Uit een mêlee van functionarissen vecht zich binnen elke instelling één persoon naar de eindzone en die dient vanaf zijn benoeming als aas voor de rest. Iedereen krijgt het druk met iedereen. Voor slagvaardig beleid blijft weinig tijd over.
Door decentralisatie verschoof de macht naar het middenveld. Maar wie zijn de honderd meest invloedrijke mensen? Wat drijft hen? Wat is hun ideologische basis? Geen mens weet het. In de media verschijnt een select gezelschap dat zich te buiten gaat aan verhullend taalgebruik. Een voorbeeld. Oud-bestuurder Leo Lensen zegt in het Onderwijsblad: ‘Een docent kan niet meer de deur achter zich dichttrekken en zelf bepalen wat hij doet’. Dinsdag, het achtste uur, 5-havo hobbelt binnen, ik doe de deur dicht en bepaal wat zij doen. Wat is daar mis mee? Waar gaat dit over?

De managementcoterie krijgt het voor elkaar dat buitenstaanders al lang niks meer begrijpen van onderwijs. Gelukkig zijn de prestaties wel transparant. De spaarfondsen krijgen vet op de botten. De schooluitval stijgt, net als het lerarentekort. En de aansluiting tussen de verschillende typen onderwijs verslechtert. Als er dan toch een parlementaire enquête komt, begin met de kernvraag: Wie is aansprakelijk voor de neergang van het Nederlands onderwijs? Jos en zijn rebellenclub of de politiek?
 
Meningendistributiecentrum PDF Print E-mail

Het onderwijsblad         nummer 3      2007 

De voetbaltrainers Louis van Gaal en Marco van Basten hebben ruzie. Waarover? Geen idee, maar journalisten hebben het er weken aan een stuk druk mee. Paul Onkenhout legt in de Volkskrant uit hoe dat komt. Vroeger oefende een trainer met spelers en droeg logischerwijs de titel oefenmeester. In zijn mening was niemand geïnteresseerd. Dat is nu anders. De moderne trainer is een manager die beelden bewaakt in de media. Letterlijk: ‘Het voetbal is verworden tot een groot meningendistributiecentrum.’

De parallel met het onderwijs ligt voor het oprapen. Ook daar heeft iedereen verstand van. Met dank aan de leerplicht is elke Nederlander ervaringsdeskundige. Bovendien is onderwijs de poort naar welvaart, een gegeven dat aandacht genereert. Het moet altijd anders en beter. Deze zoektocht naar de kip met de gouden eieren ging een jaar of twintig geleden van start. Onderwijskundige goeroes schetsten vage vergezichten over leren in de informatiesamenleving. De reactie hierop van fundamentalistische strijders tegen de moderniteit gijzelt momenteel het meningendistributiecentrum; het ‘nieuwe leren’ krijgt op zijn falie. In NRC next houdt een docente Italiaans sinds 2004 de spelfouten bij, ze is inmiddels de tel kwijt. Een student geschiedenis eist in NRC Handelsblad kennis, structuur en meer les in zijn vak. Het scholierencomité Laks sluit daarbij aan en schrijft met wat andere clubs een brief aan staatssecretaris Bruins: het moet maar eens afgelopen zijn met dat ‘nieuwe leren’.

Dit meesurfen op de reactionaire golf spoelt misschien het eigen straatje schoon, maar het blijft onzin. Neem die spelfouten. Die zijn niet nieuw. Mijn doctoraalscriptie was het eindproduct van ruim twee decennia oud leren en moest over vanwege slechte spelling. De boodschap van mijn begeleider luidde: niet goed, geen diploma. En dat hielp. Overigens verkeerde ik in die tijd vaak onder historici. Met zes uur colleges per week hadden die een zwaar semester. Geschiedenis is lezen, lezen, lezen. Hoeveel boeken verwerkt de naar inhoud smachtende historicus eigenlijk? De gegoede witte middenklassenkinderen van het Laks maken het helemaal bont. Zij krijgen klassikaal vakonderwijs en protesteren tegen nieuw leren. De sukkels weten niet wat ze aanrichten. Het meningendistributiecentrum maakt van leraren slaven van de beeldvorming. Tien jaar geleden marcheerden ze achter de studiehuisvlag aan, nu is niveauhandhaving het baken dat hen leidt. Diepe onvoldoendes moeten, het staat in de krant.

Het meningendistributiecentrum tast het probleemoplossend vermogen van scholen aan, omdat het alleen over symptomen gaat. Die spelling is peanuts. Het voorgezet onderwijs schiet inderdaad tekort, maar de oplossing is eenvoudig. Streep bij elke toets spelfouten aan, na lestijd alles overschrijven, einde probleem. Maar dat gaat niet gebeuren, zoek de oorzaak, follow the money. De industriële natie Nederland gaf zeven procent van het bruto binnenlands product aan onderwijs uit. Dertig jaar later zijn we een kenniseconomie, het percentage zakt naar vijf. De vraag groter, het aanbod schraler en ja, de kwaliteit daalt. Een Nederlandse leraar krijgt per uur, per leerling de helft van wat zijn Franse en Duitse collegae verdienen. Onderwijs is net voetbal. Goede spelers kosten geld.
 
Legitieme terreur PDF Print E-mail

Het onderwijsblad    nummer 2                      2007 

Omdat we elkaar vaag kennen van vroeger, vraagt Anne me om advies. Ze wil lerares worden. Door het opgroeien van haar kinderen ontdekt ze het belang van goed onderwijs, ze wil een bijdrage leveren. Ik vraag of ze weet waar ze aan begint. De hedendaagse schoolcultuur is onduidelijk. Zonder een haarscherp beeld van leren en welk gedrag daarbij hoort, gaat een beginner plat op de bek. Met name op latere leeftijd is dat pijnlijk. Ze wuift mijn opmerkingen weg. In haar vorige baan heeft ze over de hele wereld volle zalen toegesproken. Tijdens haar studie gaf ze les op een middelbare school en dat ging prima.

Een halfjaar later kom ik op lesbezoek. Haar instructies komen niet aan, ze staat buiten de klas, het is een bende. Nu schrik ik niet zo snel van ordeproblemen, maar het gedrag van deze leerlingen benauwt me. De stortvloed van racistische, seksistische en homofobe opmerkingen is stuitend. Anne laat merken daar niet van gediend te zijn, geeft straf, het helpt niks. Dat ik daar als vreemde bijzit roept evenmin gevoelens van schaamte op. Toch blijkt dit een gewone 3-havo met middenklassenpubers te zijn.

Anne is bepaald niet de eerste die dit overkomt. De schoolomgeving in Nederland intimideert namelijk onvoldoende. Leerlingen zijn daardoor meer dan mondig, hun verbale uitingen lijken ongeremd. Dit ‘ontplooien in vrijheid’ suggereert een kindvriendelijke benadering en dat is een leugen. In een later leven zullen ze deze luxe nooit meer ervaren. Bovendien houdt een schoolorganisatie met zijn rooster helemaal geen rekening met wensen van leerlingen. Leren vindt plaats op vaste tijden, tijdens lange dagen, in grote groepen, onder begeleiding van telkens een andere leraar. Stilte, naar elkaar luisteren en concentratie zijn dan noodzakelijke voorwaarden voor rendement. Deze werksfeer afdwingen is een essentieel onderdeel van lesgeven en dat gaat soms inderdaad ten koste van de tere kinderziel. Op benoeming van die duistere kant rust een taboe. Een leraar in moeilijkheden gaat op zoek naar de belevingswereld, wisselt werkvormen af en houdt een logboek bij. Mooi hoor, maar gewoon die etterbakken eens vernederen, dat advies hoor ik zelden.

Kijk, Anne kan terug naar haar vorige baan, heeft wat te kiezen. Ze kanaliseert haar innerlijke duivel of ze stopt. Het echte drama zit bij degenen die door moeten. Zij komen in een vuile oorlog terecht. In de klas mag alles, bij de correctie van proefwerken niks. Op rapportvergaderingen legitimeren deze docenten de diepe onvoldoendes met de riedel van ‘de vervelende kinderen en de opvoeding is ook niet wat het geweest is’. Het ligt altijd aan de omstandigheden. Dit zelfmedelijden moet maar eens ophouden. In het lokaal is de leraar streng, bij de afrekening soepel. Dat uitgangspunt maakt een beetje terreur legitiem. De schoolleider verlaat het kantoor en bewaakt met ijzeren vuist de werksfeer in het gebouw. Een coördinator is een bullebak, pubers intimideren een verplicht onderdeel op de lerarenopleiding… en leren op school wordt vanzelf weer leuk.
 
Niet op de BON PDF Print E-mail

Het onderwijsblad      nummer 1         2007 

Beter Onderwijs Nederland (BON) is de rijzende ster in het publieke debat. Deze back-to-the-future-beweging strijdt tegen zinloze vernieuwing en budgetvretend management. De voorzitter Ad Verbrugge is intelligent en heeft charisma. Intellectuelen en politici betuigen massaal steun. 20 Januari heeft de vereniging de eerste ledenvergadering. Tot zover hulde.
Maar dan lees ik 22 december een open brief aan de minister in de Volkskrant, ondertekend door Verbrugge en Presley Bergen. Letterlijk citaat: ‘De vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) verzoekt u daarom uw voornemen om per 1 september in het gehele mbo het competentiegericht onderwijs in te voeren, op te schorten of in te trekken.’ Gekke zin toch? Bergen en Verbrugge spreken een nog net niet opgestapte demissionaire minister aan op beleid dat ze helemaal niet maakt. De didactische aanpak is een zaak van de instellingen, Nederland kent geen staatspedagogiek. Inderdaad, scholen in het beroepsonderwijs richten zich op het verwerven van competenties. Het begrip competentie komt uit het human resource management en staat voor een cocktail van kennis, vaardigheid en attitude. Dat is wat de arbeidsmarkt vraagt.

Ik snap best wat BON bedoelt. Studenten in het mbo gaan vaak slechts een paar dagen naar school, zitten met hun laptop op de gang computerspelletjes te doen, hebben allerlei baantjes, halen toch een diploma en dat stelt volgens werkgevers weinig voor. Dit heeft niks met competenties te maken, maar alles met een ranzige onderwijsorganisatie. Toch vraagt BON om overheidsoptreden tegen een didactisch concept. Het moet weer worden als vroeger, met centrale examens. Een kansloos achterhoedegevecht, want het beroepsonderwijs is uitbesteed aan verzelfstandigde regionale opleidingencentra (roc). Dat zijn gigantische bureaucratische apparaten, voor een minister onneembare vestingen. Geloof het nou, net als de gulden komen ook die oude meao en mts nooit meer terug.

Tijd voor de oplossing en laat die nu al eeuwen bekend zijn. De econoom Adam Smith schreef in 1776: ‘Hebben publieke gelden bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de instelling? Hebben zij docenten aangezet tot grotere ijver, tot ontwikkeling van hun bekwaamheden? Hebben zij het onderwijscurriculum in een richting geleid die nuttiger is voor zowel het individu als voor de gemeenschap dan de koers die het uit eigen beweging zou hebben genomen?’ Het antwoord in het geval van de roc’s is drie keer nee.

Algemeen vormend onderwijs aan leerplichtige kinderen is een klassieke overheidstaak, maar dat geldt niet voor het beroepsonderwijs. Voorsorteren richting arbeidsmarkt kan net zo goed privaat, getuige de vele bedrijfsopleidingen. Kwaliteit, prijs en de kans op een baan bepalen dan de vraag vanuit studenten en bedrijven. Markten werken efficiënter dan overheden. Privatisering van het beroepsonderwijs maakt een einde aan verspilling van belastinggeld.
Conclusie? Onderwijspolitiek van vandaag gaat over algemene vorming, de rest is eigen verantwoordelijkheid. De totale sector is in Nederland een optelsom van drie miljoen mensen, overal beter onderwijs is een megalomane doelstelling. Daar brandt zelfs de meest doorgedraaide manager zijn vingers niet aan.

 
<< Start < Prev 41 42 43 44 45 Next > End >>

Page 45 of 45