Grote schrijvers over lesgeven PDF Print E-mail

Suez Kade is het laatste boek van Jan Siebelink. Deze grote Nederlandse schrijver heeft decennia voor de klas gestaan. Suez kade speelt dan ook op een categoraal gymnasium in Den Haag. Het boek zit fantastisch in elkaar. Of zoals het cliché luidt; het leest als een trein. Maar toch, de context mag het Nederlands onderwijs zijn, het gaat er niet over. Het verhaal lijkt eerder een persoonlijke afrekening. Siebelink beschrijft het lerarencorps als een knettergek stel. De waanzin van benepen mensen, die gedreven door kleinburgerlijke rancune elkaar dwars zitten, het bestaat, maar welke onderneming of overheidsinstelling heeft daar geen last van? Zoals Storm en Edgar bij de komische televisieserie 'debiteuren crediteuren' juffrouw Jannie tot op het bot pesten, zo wordt de hoofdpersoon in Suez Kade eveneens dwars gezeten. Siebelink lijkt geobsedeerd door de schoolorganisatie, zet die ook scherp neer, maar over het leren van kinderen heeft hij het nooit. 

Twee andere grote schrijvers die na een jarenlang verblijf voor de klas terugkijken op die periode, zijn Daniël Pennac en Frank McCourt. Pennac is een bekend auteur in Frankrijk. In 'Schoolpijn' beschrijft hij zichzelf als een zwakke en onmogelijke leerling. Vanuit dat verleden ontwikkelt hij een soort van strenge mildheid tegenover de kinderen die hij via zijn beroep ontmoet. Hij heeft oog voor de lastige situatie waarin pubers soms verkeren, praat ze uit de put, respecteert hun autonomie, wil ze niet als mens veranderen, maar verlangt wel prestaties in het leren. Elke leraar zou het boek van Pennac moeten lezen. Zeker in de huidige diffuse schoolcultuur is 'Schoolpijn' een baken, een richtpunt voor realistische verbetering.

McCourt doet in Meester eigenlijk hetzelfde als Pennac. Ook bij hem spat de liefde voor het vak van de pagina's. Beide zijn dienstbaar aan de kennis en niet zoals in Nederland, vooral aan de organisatie. Verschil is dat McCourt wat eerlijker is over zijn eigen zwarte kant. Hij is pas aan het einde van zijn loopbaan gelukkig in zijn baan en niet te beroerd zijn falen in de periode die daaraan vooraf gaat, te beschrijven. McCourt gaat naar het einde van het boek toe ook een beetje zeuren.

Wat bij McCourt en Pennac opvalt is dat zij met kinderen in beginsel communiceren middels hun vakinhoud, en dus pas daarna als persoon. Het gaat in het contact tussen leraar en leerling niet om het elkaar aardig vinden. De zorg voor jeugd is evenmin een doel op zich... leren in het schoolvak, dat is de kwestie! De rest is aan anderen.

Read more...
 
Vertel een verhaal PDF Print E-mail

Willem Frederik Hermans kon zo lekker tekeergaan over Menno ter Braak en Ed. du Perron. Hun pretenties prikte hij één voor één door, alsof het goedkope feestbalonnetjes waren. De boodschap leek te zijn; all die zwaarmoedigheid, hoogdravende verbale patserigheid, pompeuse onechtheid... vertel een goed verhaal, met echte mensen, die van het papier afwandelen, recht in je hoofd. Eerlijk gezegd lees ik zelden of nooit meer Nederlandse literatuur. Hermans kon een verhaal schrijven en was polemisch geniaal. De enige die dat nog enigszins heeft, is Leon de Winter. En ja, zijn boeken koop ik op de dag dat ze verschijnen en binnen vierentwintig uur komt dan die olifant met zijn grote snuit... die blaast het verhaaltje uit.

Amerikanen zijn beter in storytelling dan Nederlanders. Zo ilaat John Irving de essentie van het leven op grappige wijze zien en houdt en passant onze westerese samenleving een spiegel voor. Tom Wolfe, een generation X auteur als Brett Easton Ellis, maar ook jonge schrijvers als Dave Eggers en Franzen, en zelfs een leugenaar als James Frey, allemaal lezen ze prettig weg. Gewoon, omdat het verhaal goed verteld is en ergens over gaat.  

Mijn laatste 'great storyteller' is Richard Russo. Nu is dat niet zo'n vondst, want de man won de Pulitzer Prize in 2002, voor Empire Falls. Een slechte recensie van dat boek ben ik niet tegengekomen. Het verhaal is ook nog eens met een sterrencast verfilmd door HBO. Ook zijn laatste, de brug der zuchten, is een meesterwerk, met de kritieken die daarbij horen. Letterlijk: het portret van de drie ploeterende generaties en de manier waarop zij ondanks alles aan elkaar zijn vastgeklonken komt op fraaie wijze tot leven, aldus Vrij Nederland. Russo schrijft over Small Town America, liet zich voor een publieke zender liet hij zich interviewen ... mooi!

Een goed geschreven onderwijsstory... in een small town... is dat geen idee?

 
Veruit de beste PDF Print E-mail

Ik was een jaar of zeventien toen mijn vader me wees op een artikel over Louis Ferdinand Céline (klik hier voor deel twee van het interview). Ik las het artikel niet uit; deze schrijver was antisemiet, einde belangstelling. Dus toen mijn vader me later in de boekhandel vroeg of hij Reis naar het einde van de nacht voor me moest kopen, het zou bij mij passen... wees ik zijn voorstel af, ik las geen fascisten. Diezelfde avond vond ik het boek op mijn bureau. Het heeft daar zeker een maand onaangeroerd gelegen, maar daarna begon ik te lezen, uit verveling. En vanaf dat moment ging het hard. Dat dit mocht, kon, bestond. Het verhaal is begin jaren dertig van de vorige eeuw uitgebracht, maar komt eigentijds over. Het gaat snel, is grappig,  neemt mee. Daarna volgde Dood op Krediet en alles wat verder te krijgen was. Jaren aan een stuk heb ik weinig anders gedaan dan lezen van en over Céline. Tussendoor haalde ik tentamens, studeerde, voldeed aan eisen, maar leren deed ik met Céline. Hoe dat komt? Zelf zegt Céline dat het de stijl is. Elk verhaal is verteld, het gaat erom hoe het opgeschreven is. De drie puntje, de korte zinnen, staccato, het razende tempo, de grappen... dat moet, omdat de academische taal voorbij is, ingehaald door de film... emotief schrijven is een noodzakelijke voorwaarde voor succes, beweert hij in  Entretiens avec professor Y, waarin Céline zichzelf interviewt.  

Eén punt verdient nog aandacht. W.F. Hermans beweerde dat de mens achter de schrijver niet interessant is. Alle mensen lijken immers op elkaar, zijn banaal. Het draait om het werk, dat is onderscheidend. Bij Céline gaat deze vlieger helaas niet op. De man had een turbulent leven, vocht in de Eerste Wereldoorlog, meldde zich, hoewel oorlogsinvalide, aan voor de Tweede Wereldoorlog, werd afgewezen en moest in 1945 vluchten, om een zekere dood te voorkomen. Tot begin jaren vijftig leefde hij ballingschap in Denemarken. Bij terugkeer noemde hij zichzelf een patriot, veroordeeld door het recht van de overwinnaar. Die concentratiekampen had hij nooit gewild, de atoombom van Hirosjima was toch ook een oorlogsmisdaad?... wie werd daar eigenlijk op aangesproken? Precies, niemand! Kan zijn, maar dat neemt niet weg dat hij drie fel antisemitische pamfletten heeft geschreven; bagatelles pour un massacre, l'ecole des cadavres en les beaus draps. Deze boeken zijn niet meer te krijgen, omdat zijn weduwe heruitgave verbiedt. En gelijk heeft ze, want hier is geen aardige draai aan te geven. Het antisemitisme is schokkend, de boeken verkochten bovendien beter dan zijn ander werk en de ingenomen standpunten waren bepaald geen polyinterpretabele verschrijvingkjes. Tot 1943 schreef Céline ingezonden stukken in fascistoïde kranten als Je suis partout, waarin hij zich afvroeg wanneer de Duitser eindelijk eens begonnen met hun aanpak van het jodenprobleem. Na de de oorlog weigerde Céline over zijn antisemitisme te praten. Wel gaf hij aan nooit te hebben gecollaboreerd. Wat juist lijkt te zijn. Hij had niks te maken met Franse intellectuelen die zich bekeerden tot het nationaal socialisme, zoals Drieu La Rochelle en Brasilach. Met dat argument presenteerde Céline zich tot het einde van zijn leven als slachtoffer van de hoon van het volk. Hij zich zichzelf als een miskend talent, uitgebuit door zijn uitgever.

Louis Ferdinand Céline is een van de grote vernieuwers van de literatuur. Hij beinvloedde Gerard Reve en Willem Federik Hermans, maar ook Charles Bukowski. Het werk van deze schrijvers lees en herlees ik nog steeds met veel plezier.