Skip to content

Werkdruk in het onderwijs

Binnenkort gaat van zomervakantie een weekje af. Volgens de staatssecretaris is dat goed, want zo kan de werkdruk over meer dagen gespreid worden. Leraren beschuldigen haar echter van diefstal en zuchten dat de baan alleen maar zwaarder wordt. Werkdruk is nog steeds hét probleem van de Nederlandse leraar. Maar klopt dat wel? Het vorig jaar nam het aantal banen in het voortgezet onderwijs, terwijl het leerlingen aantal daalde… werkdruk? Welke werkdruk?

Het onderwijsblad | nummer 10 | 2009

Ruim tien jaar geleden voerden de onderwijsbonden actie onder de leus ‘druk, druk, de werkdruk’. Momenteel is de werkdruk nog steeds hét knelpunt voor de leraar. Vreemd, want in het laatste decennium is het aantal te verwerken leerlingen per volledige baan met twintig procent gedaald. Het zijn dan ook niet meer de leerlingen die het werk zwaar maken. Het is de schoolorganisatie, die neemt teveel taken op zich. Een nationale herijking van verantwoordelijkheden kan het tij keren.    

Het bureau Newcom Research and Consultancy deed onlangs onderzoek naar de arbeidssatisfactie onder docenten. Wat bleek? De werkdruk is de grootste wrevel. Niet echt verassend, want bij elke actie voor betere arbeidsvoorwaarden is dit hét onderwerp. Leraren springen voor televisiecamera’s en belijden met rollende ogen en blos op de wangen dat het zo niet langer kan, met die werkdruk dan.

Deze emotionele uitbarstingen doen de zaak overigens geen goed. Repeterende woede staat voor onmacht, waardoor de boodschap devalueert. De communis opinio luidt inmiddels; iedereen moet werken, leraren hebben veel vrije dagen, houd op met zeuren.

Maar toch, er is iets met die werkdruk in het onderwijs. De kloof tussen ervaringsdeskundigen en buitenstaanders is daarbij opvallend. Wat is hier aan de hand?

 

Arbeidsproductiviteit

Lesgeven is zwaar werk. Doe het maar eens, zes keer achter elkaar, met een groep van tussen de vijfentwintig en dertig kinderen. Allemaal moeten ze op een vastgesteld tijdstip leren binnen de niet altijd even uitdagende afspraken van een schoolvak. De start, interesse opwekken, zinvol bezig blijven, afronden en terugkijken, het is ambachtelijke arbeid, met een hoge intensiteit. Bovendien lijkt juist de Nederlandse leraar daarin relatief zwaar belast.

Uit het promotieonderzoek van de onderzoeker Ib Waterreus[i] blijkt dat de betaling per leerling, per uur, nergens zo laag is als hier. Dat ligt niet aan het maandsalaris, maar aan het grote aantal leerlingen en lesuren per leraar.

Waterreus presenteerde deze cijfers echter acht jaar geleden. Sindsdien zijn de uitgaven aan onderwijs gestegen. De leraar heeft daar op het eerste gezicht weinig aan. Het rapport Bureaucratisering in het onderwijs (2004) van de Onderwijsraad leert dat de nieuwe middelen grotendeels in de organisatie verdwijnen. Maar wie gaat er dan met de buit vandoor? Zijn het weer die managers? Niet helemaal. Het geld gaat naar managementactiviteiten, uitgevoerd door leraren. Denk aan opleidingsdocenten, zorgcoördinatoren, taalregelaars, rekenhulpen en loopbaancoaches.

Cijfers bevestigen deze trend[ii]. Het Centraal Bureau van de Statistiek telt het aantal leerlingen per fulltime leraar. In tien  jaar tijd zakt dat van13,44 naar 10,97,  een daling van een kleine 20%. Recent onderzoek van het bureau Regioplan geeft eveneens aan dat docenten steeds meer tijd besteden aan niet-lesgebonden taken. Ze staan gemiddeld 38 procent van de werktijd daadwerkelijk voor de klas.

Vanaf die constatering is werkdruk een moeilijk woord. Lesgeven maakt het werk zwaar, maar juist dat gaan leraren minder doen. De arbeidsproductiviteit daalt, de klachten nemen toe; is dit misschien een typisch geval van gevoelstemperatuur? Of erger nog, zelfmedelijden? Nee hoor; de werkdruk, dat is de organisatie.

Losjes gekoppelde organisaties

Karl E. Weick is hoogleraar aan de universiteit van Michigan. Zijn onderwerp is de ontwikkeling van organisaties. Eén van zijn kernconcepten is ‘losjes gekoppelde systemen’. Volgens Weick is de school daar een voorbeeld van. Om die stelling te illustreren, maakt hij een vergelijking met een potje voetbal. Dat wordt normaal gespeeld op een rechthoekig veld, met twee doelen. Eén partij valt aan, de ander verdedigt en degene die het meest scoort, wint.

Op een school gaat dat volgens Weick anders. Vrij vertaald[iii]: ‘Het speelveld is rond; er zijn meerdere doelen lukraak verspreid aan de rand van het ronde veld; mensen kunnen het veld opkomen en verlaten wanneer ze maar willen; ze kunnen zeggen “dat is mijn doel” wanneer ze maar willen, zo vaak ze willen en voor zoveel doelen als ze willen. Als je nu in dit voorbeeld scheidsrechters vervangt door schoolmanagers, coaches door leraren, spelers door leerlingen, toeschouwers door ouders en voetbal door onderwijs, dan heb je een onconventionele voorstelling van een schoolorganisatie.’

Dit citaat uit 1976 beschrijft de school als een van nature complexe organisatie, omdat daar zoveel verschillende belangen samenkomen. Wat doet het onderwijs met dit gegeven? Het maakt de organisatie vele malen complexer! In 1976 financierde de overheid het onderwijs, bepaalde de arbeidsvoorwaarden en nam met centrale regelgeving de organisatieperikelen voor haar rekening. Besturen bewaakten de identiteit en scholen verzorgden onderwijs.

Momenteel levert de overheid enkel nog het budget, besturen ontvangen dat en delegeren de uitvoering aan schoolleiders. Maakte vroeger alleen de overheid beleid, nu doet iedereen dat; de ‘losjes gekoppelde systemen’ drijven van elkaar weg.

De ontbinding begint boven in de keten. De politiek inventariseert nationale onderwijsbehoeften. Bestuurders dikken die aan, want dat is goed voor budget en status. De opdracht rolt van boven naar beneden en het aan stukken geslagen geldbedrag landt uiteindelijk op het bureau van de beleidsmakende schoolleider. Die delegeert de taak aan een nieuw te benoemen functionaris. Een leraar levert lessen in, werpt zich op een maatschappelijke deelopdracht, gaat collega’s aansturen en vanaf dan schept elk aanbod zijn eigen vraag: het werk komt niet af, de coördinator vraagt een assistent. Er is altijd iemand die dat wil, want degene die niet meedraait in de baantjesmachine, is een loser; de lesboer met levenslang LB.

Sovjetvirus

De politicoloog Bart Tromp, overleden in 2007, noemde het onderwijs tien jaar geleden ‘de laatste sovjetzone van Nederland’[iv].  Letterlijk: ‘Het sovjetkarakter van het Nederlandse onderwijs komt inderdaad niet in de laatste plaats tot uiting in de groeiende wanverhouding tussen degenen die onderwijs geven en zij die daarop toezien, het reguleren, administreren, plannen, evalueren en vernieuwen.’

Een decennium later zijn leraren onderdeel van het probleem. Ook zij zijn besmet met het sovjetvirus, bewaken protocollen en sturen aan. Deze woekerende complexiteit van de organisatie is de draaikolk die de mannen en vrouwen voor de klas de adem beneemt. Bij hun daalt de regen aan opdrachten namelijk neer. Bij falen, worden zij aangesproken.

Hoe dat uit de hand kan lopen illustreert de Amerikaanse rechtbankserie Boston Legal.[v]  Ouders klagen daarin een docent aan, omdat hun allergisch kind is overleden aan een anafylactische schok. In het takenpakket van de lerares, opgesteld door een gezondheidsfunctionaris en het managementteam, stond; fouilleren op gevaarlijk voedsel, surveilleren tijdens pauze en toedienen van medicijnen bij een allergische reactie. Helaas, door persoonlijke omstandigheden was de lerares te laat. Het verweer van de televisieadvocaat luidt; deze lerares bereidt buiten schooltijd moeilijke leerlingen voor op nationale testen, besteedt tien uur per week aan gesprekken met ouders, verzorgt sex educatie, geeft voorlichting over gezond eten, surveilleert in pauzes, houdt het klaslokaal schoon, werkt 65 uur per week en oh ja… ze geeft ook nog les.

Dit is ons voorland. Een school in Zwolle is al aangeklaagd door een schrijfster die in haar jeugd slachtoffer werd van een loverboy. Dat is niet haar schuld of die van haar ouders. Nee, het is de school. Die deed projecten over loverboys, het rendement daarvan was nihil en het bijhouden van absenten kon ook beter.

Persoonlijk leed omzetten in een juridische aanklacht tegen een school of een leraar, de sector vraagt erom. Politici, bestuurders en schoolleiders beloven gouden bergen en leraren voeren amateuristisch uit; het grote mislukken is structureel. De aansluiting met het hoger onderwijs moet beter? De wet tweede fase verplicht tot oriëntatie op studie en beroep. De schoolleiding koopt een softwarepakket, delegeert de supervisie aan decanen en onderdirecteuren. Tijdens vergaderingen dwingen zij tot gebruik van het pakket. Maar ouders willen geen advies van de computer; zij eisen hulp bij de keuze van een vervolgopleiding. Dus vind ik mezelf terug, laat in de middag, surfend langs websites, met naast me het meisje dat verzucht: ‘ja hé, als ik naar Breda ga, kan ik dan nog elke dag paardrijden?’ Ik hoor mezelf zeggen: ‘ach kind, dan zoeken we toch iets dichter bij huis.’

Tot hier is de sfeer gemoedelijk, maar bij de rugzakleerlingen wordt die al snel grimmig. Ouders van kinderen met een stoornis stellen bij slechte rapporten steevast dezelfde vraag; ‘wat doe jij eigenlijk met dat geld?’  Weinig, want ik zie daar niks van. Ik geef hooguit aandacht, intuïtief. Of dat helpt? Geen idee!

Werkdruk is niks anders dan een gebrek aan succeservaringen. De stroom van maatschappelijke opdrachten, de verwachtingen, daar niet aan kunnen voldoen, het spel met opdrachtgevers en afnemers, de koestering van een subtiel evenwicht tussen ontwijken en confronteren, dat is wat de energie van de leraar wegvreet.

De oplossing

De Hongaars Britse intellectueel Frank Furedi werkt aan een boek over de crisis in het onderwijs onder de titel Wasted. In Trouw zegt hij daarover: ‘dat slaat op zaken als verspilde tijd, verspild talent, verspild geld[vi].’ Volgens Furedi komen scholen niet meer toe aan hun kerntaak: leerlingen intellectueel prikkelen.

In de constatering van Furedi schuilt de oplossing. Momenteel krijgen scholen budget voor het omzetten van maatschappelijke vraag in niet-lesgebonden taken. Dicht deze bodemloze put met een nationale herijking van verantwoordelijkheden. De kwaliteit van de algemene vorming is een zaak van de overheid, die beheert de sector. Ouders gaan over het geluk van hun kinderen. Als ze hulp nodig hebben, kunnen ze die, met steun van de belastingbetaler, inkopen bij zelfstandig opererende professionals. Leraren doen waar ze voor opgeleid zijn: zij geven les… alle onzin de school uit!

[i] Zie Lessons in Teachter Pay, Study on incentives amd labor market for teachers.  Amsterdam University Press 2003. Watterreus trad in 2001 met de cijfers naar buiten. Onder andere het dagblad Trouw schreef erover.

[ii]  Tabel CBS/SBO

Aantal leerlingen, werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit voortgezet onderwijs, 1998-2007
Jaar Aantal leerlingen Werkgelegenheid in fte Aantal leerlingenPer fte
1998/’99 884.470 65.800 13.44
1999/’00 890.960 67.300 13.24
2000/’01 894.120 72.000 12.42
2001/’02 904.370 75.700 11.95
2002/’03 913.670 79.800 11.45
2003/’04 924.780 81.500 11.35
2004/’05 934.760 81.900 11.41
2005/’06 939.900 82.800 11.35
2006/’07 942.770 84.400 11.17
2007/’08 941.470 85.800 10.97

 

[iii] Het citaat komt uit: Weick, K. E. (1976). Educational organizations as loosely coupled systems,  Administrative Science Quarterly, 21, 11-18. Letterlijk staat daar: Imagine that you’re either the referee, coach, player or spectator at un unconventional soccer match: the field for the game is round; there are several goals scattered haphazardly around the circular field, people can enter and leave the game whenever they want; they can say “that’s my goal” whenever they want to, as many times as they want to, and for as many goals as they want to; the entire game takes place on a sloped field, and the game is played as if it makes sense.
If you now substitute in that example principles for referees, teachers for coaches, students for players, parents for spectators, and schooling for soccer, you have an equally unconventional depiction of school organizations

[iv] Zie Volkskrant 2 september 1998

[v] Boston Legal is een absurde spinoff van de juridische serie the Practice, met in de hoofdrollen Candice Bergen en William Shatner, de vroegere captain Kirk uit Star Trek. RTL4 heeft enkel de eerste serie uitgezonden. Jammer, want in de VS is Boston Legal een succes. In elke serie zit minimaal één onderwijscasus.

[vi] Zie het dagblad Trouw Scholen moeten weer gewoon onderwijs geven, 28 maart 2009

Published inArtikelen

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *