Skip to content

Welvaartsverlies

Eerder verschenen in het novembernummer van Het Onderwijsblad

Het demissionaire kabinet besteedt 500 miljoen aan gelijker trekken van beloning in het basis- en voortgezet onderwijs. Dat inkomensverschil is een gevolg van het vroegere onderscheid tussen de generalist die van alles een beetje weet versus de specialist die van een vak veel weet. Ooit was dat zo. Maar de tweedegraads lerarenopleidingen leveren geen vakspecialisten meer af en worden bovendien net als de pabo verzorgd door hogescholen, de daaruit voortkomende bachelors zijn gelijk. Daar komt bij dat wel of niet leren op een basisschool voor het leven is. Terwijl een tweede vreemde taal in 3 havo, fijn als je er wat mee kan, maar je komt in het buitenland met Engels ook een eind. Kortom, leid juist onderwijzers goed op, ze doen belangrijk werk, beloon ze daarom gul en rechtvaardig.

Maar na het beginsel komt de uitvoering. De salarisgebouwen verschillen namelijk nogal. Wie trek je gelijk met wie? In het PO bedraagt het maximale L11-salaris 4500 euro per maand. L11 heette tot 2018 LB. In het VO stopt LB bij 4300 euro. De meerderheid in het PO verblijft echter in L10, met 4200 euro als eindbedrag. In het VO bivakkeert de meerderheid in LC en LD, met als eindschalen respectievelijk 5000 en 5700 euro. Maar betekent gelijktrekken salarissen dan dat de onderwijzer met academische PABO zicht krijgt op die 5700 euro? Jij en ik weten het antwoord. 

Vanaf 2008 zijn namelijk miljarden vrijgemaakt voor de functiemix, de mislukte kwaliteitsbooster van bonden en werkgevers. PO besturen hebben de verplichte quota LB, later L11, nooit gevuld. De academisch geschoolde onderwijzer 5700 euro betalen? Gaat niet gebeuren. Braverik VO vulde de quota LD wel en dat stemt evenmin vrolijk. Pas als een collega onder de tram loopt, komt het best betaalde werk vrij. Stel, de tram doet zijn werk, dan werpt de halve school zich als een roedel hongerige honden op de procedure ‘solliciteren naar de eigen baan’. Opscheppen over onderwijskundig leiderschap en meedansen rond het vreugdevuur der jargonbrakers vormen de garantie op de buit. De verliezers buigen deemoedig het hoofd en doen hetzelfde werk voor netto 1000 euro per maand minder.  

Gelijk werk ongelijk belonen is de duivel. In het begin, ach, dat geld. Maar jaren ploeteren naast de collega ‘vroeg naar huis met volle beurs’ voedt frustratie, waarna slechts drie opties resten; gewelddadig verzet, mentale implosie of vertrek. Averechtse selectie vreet vervolgens de laatste restjes kwaliteit uit de sector. Degene die iets kan, gaat. De overblijvers gaan gebukt onder een seriële burn-out, potentiële nieuwkomers willen daar niet bijhoren en beginnen er niet eens aan. 

Een rechtvaardige beloningsgrondslag in het funderend onderwijs ontbreekt. Gevolg? Kwaliteitsdaling en welvaartsverlies. De opdracht voor de nieuwe minister luidt daarom; rationaliseer de onderwijsbeloning. Willen is kunnen. Kunnen is moeten.

Published inUncategorized

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *