Skip to content

Leerachterstanden los je niet op met 8,5 miljard

Geschreven met Klaas van Veen en op 15 april gepubliceerd in het Financieele Dagblad

De huidige lumpsumfinanciering in het onderwijs reduceert de leraar tot kostenpost en heeft weinig oog voor de opbrengsten. Schaf deze vorm van financiering dus direct af.

Het is terecht dat de Algemene Rekenkamer nu al haar kritiek uit op het Nationaal Programma Onderwijs van €8,5 mrd om leerachterstanden op te lossen. Het was ook apart dat de ministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob van Onderwijs zo snel met dit plan kwamen. De coronacrisis speelt nog volop. En er is nog geen goed zicht op leerachterstanden, hoewel de Onderwijsinspectie deze week in het jaarlijks onderzoek een pijnlijk beeld schetste van het ondermaatse niveau van lezen, schrijven en rekenen bij veel leerlingen.
Er is wel zicht op de oplossing, maar dat is niet het Nationaal Programma Onderwijs. Het onderwijs heeft namelijk de expertise en ervaring om de actuele problemen aan te pakken, maar mist hiervoor tijd en professionele ruimte. Dit is een gevolg van hoe ons onderwijs is georganiseerd, met daarachter een falend onderwijsbeleid. Door de coronacrisis komen deze meer structurele problemen nu boven water.

De laatste decennia is het onderwijsbeleid altijd op kostenbeheersing gericht geweest. Op incidenten – meestal breed uitgemeten in de media – volgde altijd meer geld, voor even dan. Nu zijn het dan de schijnbare leerachterstanden, daarvoor ging het over kansenongelijkheid, en daarvoor weer over de dalende motivatie van leerlingen. Maar deze wijze van besturen lost geen problemen op. De bedragen komen zelden terecht bij leraren en hun leerlingen en studenten. Ze verdwijnen in de organisatie, zoals ook de president Arno Visser van de Algemene Rekenkamer opmerkt. Wat het onderwijsbeleid mist is begrip van wat echt nodig is.
Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd de onderwijsbegroting onbeheersbaar. Om de kosten te beheersen werd de lumpsumfinanciering ingevoerd, eerst in het beroepsonderwijs, de rest volgde later. Besturen krijgen hierdoor nog steeds jaarlijks een vast bedrag, gekoppeld aan financiële en inhoudelijke verantwoordelijkheid. De achterliggende aanname is dat het onderwijsveld zichzelf hierdoor efficiënt organiseert. En dat is ook zo.
Nadeel is echter dat het de leraar reduceert tot kostenpost en het weinig oog heeft voor de opbrengsten. Vanuit die focus zijn grote klassen en groepen een voordeel. Net als veel lesuren per leraar. Maar klassen van 33 leerlingen in het voorgezet onderwijs en gemiddeld 5 lessen op een dag verminderen de ruimte voor kwaliteitsverbetering. Eenzelfde verhaal gaat op voor het basisonderwijs, mbo, hbo en de universiteiten. Binnen de huidige werkcontext is het voor leraren nagenoeg onmogelijk zich verder in het beroep te ontwikkelen of individuele leerlingen of studenten daadwerkelijk te begeleiden. Laat staan dat je de tijd hebt om leerachterstanden of kansenongelijkheid aan te pakken. Een leraar ziet op een dag simpelweg te veel mensen.

Wat het onderwijs nodig heeft, is een andere manier van organiseren vanuit andere prioriteiten. Met substantieel kleinere groepen, minder lesuren, meer tijd voor leraren voor bij- en nascholing, en maatwerkdiploma’s om leerlingen en studenten werkelijk te laten excelleren. Dat zijn maatregelen waarmee we een verhoging van de opbrengsten bereiken.
Ook in het onderwijs gaat de kost voor de baat uit. Deze kwaliteitsslag vereist daarom beëindiging van de lumpsumfinanciering met haar fixatie op de kosten. De kabinet zal verantwoordelijkheid moeten nemen voor het beheer van de financiering en daarbij moeten accepteren dat bedragen op de rijksbegroting kunnen meevallen en kunnen tegenvallen.

Het zou het werk van leraren ook weer aantrekkelijk maken. Ondanks alle retoriek over het belang van goed onderwijs, weet iedereen dat leraren op dit moment niets anders zijn dan veredelde lesboeren, in alle lagen van het onderwijs.
Onderwijs is een complex en groot beleidsdomein. De huidige focus op kostenbeheersing door middel van lumpsumfinanciering leidt echter niet tot verbetering van het onderwijs, eerder tot het tegenovergestelde. Want het gaat in het onderwijs elke kabinetsperiode weer een beetje slechter, zoals ook weer blijkt uit het recente onderzoek van de

Verbetering vereist daarom een ander onderwijsbeleid, met heldere doelen. Wat willen we bereiken met het onderwijs? Hoe zorgen we ervoor dat leraren het leren van leerlingen en studenten optimaal kunnen begeleiden? En pas daarna gaat het over geld. Als het onderwijsbeleid niet fundamenteel verandert, kan de Algemene Rekenkamer nu al beginnen met het schrijven van haar rapport ‘Hoe €8,5 mrd voor onderwijs oploste in een zwart gat’.

Published inColumns

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *