Skip to content

Beleggen helpt het onderwijs niet

Woensdag 23-02-2000 | NRC/Handelsblad | Ton van Haperen
Recent bleek dat beleggen voor rijke onderwijsinstellingen de normaalste zaak van de wereld is. Dat daardoor een fundamentele onrechtvaardigheid wordt geschapen, wordt door politici te gemakkelijk uit het oog verloren.

De klachten van leraren zijn inmiddels wel bekend; de werkdruk is te hoog en de beloning te laag. Elk jaar geeft de beroepsgroep uiting aan dit ongenoegen door middel van acties. Na wat publiciteit en een dagje folklore wordt het benodigde bedrag alsnog in een donker hoekje gevonden, de eisen ingewilligd en iedereen kan weer aan het werk. De jaarlijkse herhaling van deze procedure en het lerarentekort geven aan dat de oplossingen tot nu toe onbevredigend zijn. Daar zou eindelijk verandering in kunnen komen. De overheid heeft als gevolg van een meevallende economische groei 12 miljard over en politici willen een gedeelte daarvan aan onderwijs besteden. Ook van de werkgevers mag het een en ander verwacht worden. Een enkel schoolbestuur met 90 miljoen aan aandelen en obligaties, heeft ruimte om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.

Toch zouden ondanks deze financiële overvloed de uitkomsten wel eens tegen kunnen vallen. De vage organisatiestructuur van het onderwijs zorgt ervoor dat extra geld niet bij leraar en leerling terechtkomt. De staatssecretaris slijpt op onderwijskundig terrein haar eisen steeds scherper bij en is bereid daar extra middelen voor vrij te maken. Tegelijkertijd laat de minister bij het beheer de teugels vieren. Door deze decentralisatie neemt de ongelijkheid tussen scholen snel toe, waardoor de bizarre situatie ontstaat dat organisaties die verschillen in mogelijkheden uniforme onderwijsdoelstellingen moeten zien te bereiken. Dat scholen uit elkaar groeien, blijkt uit een onderzoek van de EO dat aantoont dat beleggen voor rijke onderwijsinstellingen de normaalste zaak van de wereld is. Politiek en pers reageerden geschokt op deze uitkomsten, waarbij veelvuldig gerefereerd werd aan de Ceteco-affaire.

Het accent in de berichtgeving lag op de risico’s waarbij de pijlen gericht werden op speculeren met de rijksbijdrage. Dat mag niet, want koersen die omhoog gaan willen soms ook wel eens dalen en daarmee zou de continuïteit in gevaar kunnen komen. Deze zorg is begrijpelijk, maar ook een beetje overdreven. Het onderzoek van de EO laat namelijk zien dat onderwijsinstellingen geen onaanvaardbare risico’s nemen. Natuurlijk, niemand kan uitsluiten dat in de toekomst een manische hobbyist het schoolkapitaal er doorheen jaagt. Maar zo is het spel, beleggen is alleen een succes als er ook verliezers zijn. Er gaat wel eens wat mis en dat is acceptabel zolang het totale verlies gering en de winst enorm is. Bovendien zullen financiële rampen niet vaak voorkomen vanwege de voorbeeldfunctie van een zeperd. Toch laten politici zich in hun reactie op beleggingspraktijken van onderwijsinstellingen sturen door Zuid-Hollandse angstaanvallen. Dit is eigenaardig, want door hun specifieke aandacht voor de risico’s met rijksbijdragen, geven zij aan beleggen van eigen vermogen in staatsobligaties acceptabel te vinden, terwijl juist daardoor een fundamentele onrechtvaardigheid ontstaat.

De overheid heeft een groot deel van haar schuld uitstaan in de vorm van obligaties. Van de rente die daar jaarlijks over betaald wordt, komt een stuk terecht bij sommige grote schoolbesturen in het bijzonder onderwijs. Openbare instellingen delen niet mee, zij hebben namelijk geen `oud geld’ dat omgezet kan worden in effecten. Kortom, de rijken worden rijker, zij ontvangen twee maal uit de belastingpot, de reguliere bijdrage en de rendementen op staatsleningen. Nu is deze scheve situatie niet nieuw, maar een door schaalvergroting uitdijend bestuur met een forse beleggingsportefeuille vergroot de kloof wel. Daarnaast is het de vraag of bevoordeling van de mammoetinstellingen op religieuze grondslag gepast is. Vroeger werden de verschillen in mogelijkheden van openbare en bijzondere scholen gelegitimeerd met het grondrecht `vrijheid van onderwijs’.

Niemand kan ontkennen dat identiteit gebaseerd op geloofsovertuiging, de laatste dertig jaar een vervlakking heeft ondergaan. Inmiddels is ook nog de bekostiging van onderwijs veranderd van declareren naar budgetteren. Kleine scholen met een sterke identiteit kunnen van de lumpsum amper leven. Zij zijn zodoende gedwongen hun overtuiging te ruilen tegen fondsvorming en vinden onderdak bij een groot bestuur. Hierdoor is het grondrecht gedevalueerd tot nèt niet niks en vooral nieuwkomers ervaren het als gebakken lucht.

Allochtonen die een islamitische school willen stichten kunnen dat niet zonder extra gelden van rijke particulieren. Vrijheid van onderwijs is een anachronisme, maar het is tevens de wortel van verschillen in mogelijkheden tussen scholen. De maatschappelijke problemen waar ze dagelijks mee geconfronteerd worden, zijn daarentegen gelijk. Voeg daarbij nog de ideeën van de minister over sponsoring en de boot is aan. Een kind dat in een verkeerde wijk geboren is, krijgt slecht gefaciliteerd onderwijs en wordt op deze wijze in zijn maatschappelijke achterstand bevestigd, terwijl de overheid nog steeds de bestrijding van kansenongelijkheid propageert. Zo worden de problemen snel groot.

Bij onderwijsbeleid geldt niet meer de regel `wie betaalt, bepaalt’. Staatssecretaris en Kamer ontkennen dit categorisch en maken zich druk over het lot van allochtonen, leerwegen, basisvorming en studiehuis. Kerndoelen en eindtermen worden tot ver achter de komma uitgeschreven en de wijze van lesgeven is op een haar na wettelijk vastgelegd. Deze centraal bepaalde inhoud loopt echter het gevaar kapot gebeten te worden door de decentrale uitvoering. Grote bedragen worden overgemaakt naar het beleidsmakende middenveld, dat het geld weer doorsluist naar de scholen.

Het maatschappelijk rendement van de inspanningen zal daardoor niet groot zijn, allerlei tussenstations hebben het recht de toegekende bedragen op hun eigen wijze aan te wenden, met het gevaar dat leraren en leerlingen er naast grijpen. Het is cynisch om te constateren dat het grootste bestuur van Nederland met de grootste beleggingsportefeuille, tevens de werkgever is, die een eigen CAO heeft afgesloten waarin de landelijk vastgelegde werkweek van 26 lessen wordt ontweken. Leraren mogen daar keihard werkend onderwijsvernieuwing invoeren, terwijl er 90 miljoen aan effecten uitstaat.

Beleggende onderwijsbestuurders zitten over algemeen ver van de werkvloer. Dat maakt bezuinigen op de eigenlijke activiteit eenvoudig, met de besparingen kan gescoord worden op de beurs. De ondernemende elite juicht bij de rendementen.

De leraar en zijn wensen bekijken het maar, leerlingen komen toch wel terecht en politiek geformuleerde doelstellingen zijn onhaalbaar. In deze context kan de overheid maar beter zelf voor de overschietende miljarden aandelen kopen. Ter legitimering kan het argument van de bestuurders geleend worden; de rendementen komen ten goede aan het onderwijs – ooit.

Published inArtikelen

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *