Skip to content

Berichten van een frontsoldaat

Waarom deze website? Omdat het voortgezet onderwijs in een milde staat van oorlog verkeert! Leraren, ouders, leerlingen en managers praten vooral over elkaar en zelden met elkaar. Dit cohesietekort is dé oorzaak van het onderpresteren van de Nederlandse jeugd. Journalisten, wetenschappers en bestuurders domineren het publieke debat over deze kwestie. Leraren staan buitenspel. De berichten van het front bereiken slechts in verminkte vorm de buitenwereld. Deze website gaat dit hiaat wegwerken en toont wat echt mis is in het voortgezet onderwijs.

Een voorbeeld van de werkvloer. Matig opgeleide jonge leraren hebben het moeilijk, kinderen gedragen zich onbeschoft, anders dan thuis of op hun bijbaantje… de onmacht groeit. De defensieve reflex van de school resulteert in een collectieve obsessie met regels, normhandhaving en straf. Intelligente adolescenten zitten laat in de middag strafregels te schrijven… ik mag niet praten in de les… en dat een paar honderd keer. Deze jonge mensen kiezen hun eigen genotsmiddelen, blijven nachten van huis, kunnen door hun beeldscherm de hele wereld zien, met alle vuiligheid die daarbij hoort… ze lachen om de jaren vijftig benadering, spugen op het instituut school.

Het ergste is, alles gebeurt met de beste bedoelingen. Want ja, leraren zonder verhaal staan met het zweet op de rug voor zo’n groep kinderen. Het management probeert de zwakke schakels te beschermen middels versterking van de schoolcultuur. Maar wat in de basis zwak is, wankelt altijd… en dus backfiret het verzet terug, recht in het gezicht van die leraar. Die wijst de beschuldigende vinger naar het management; ze doen het verkeerd. De schoolleiding baalt van dit afwentelen, denkt; ‘kunnen die lui niet zelf hun problemen oplossen?’… en concentreert zich voortaan op beheerkwesties.

Drie groepen, drie werelden

Op macro niveau is desintegratie eveneens de norm. Zo benoemen politici, na een parlementair onderzoek onder leiding van Jeroen Dijsselbloem, wat kinderen leren en hoe kinderen leren tot twee gescheiden compartimenten: het eerste deel is aan de overheid, het tweede aan de scholen. Maar hoe en wat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het gedetailleerd vastleggen van inhouden bepaalt immers het pedagogisch didactische handelen. Veel eindtermen impliceert dat de leraar ze minimaal één keer moet noemen. Als hij dan door zijn tijd heen is, is elke verdere ambitie misplaatst. Andersom zorgt een ongebreidelde vernieuwingsdrift, met een nadruk op woeste werkvormen die het leren leuk moeten maken, ervoor dat kinderen niet meer leren wat ze moeten leren. Anders gesteld; een te sterk accent op het wat gaat ten kost van het hoe; het gedram op het hoe leidt tot een tekort bij het wat.

Een nationaal evenwicht tussen hoe en wat, dat regisseren, het zou bepaald handig zijn. Maar van enige activiteit in die richting is geen sprake. De minister hoort Dijsselbloem ergens in de verte roepen, reageert amper en laat iedereen doen, wat die altijd al deed. Zijn taak is, rond de begrotingsbehandeling wat proefballonnen loslaten… uitstel schoolkeuze… leraren maken schoolboeken op internet… fusietoets… inkorten schoolvakanties. Schoolleiders en bestuurders aanschouwen het met een glimlach.

Het lijkt haast een gezelschapsspel, maar leraren spelen niet mee. Ze willen ook niet, de big picture is uit het zicht verdwenen en werkdruk is hun zorg. Het oplopen daarvan is met dank aan de nieuwe opdrachten een autonoom proces. Elke leraar is mentor… en een beetje mentor is tevens decaan, zorgverlener en praatpaal. Deelfuncties die weer worden aangestuurd door een decaan, een zorgcoördinator en psycholoog. Overleven in deze jungle van eisen en verwachtingen is een sport op zich.

En dan de onderwijskundige wetenschappers. Het werk in de klas, de organisatie van scholen en het leren van kinderen, het is hun onderzoeksgebied. Maar helaas, ook zij kunnen  weinig met de praktijkperikelen. De doelstelling van een wetenschapper is een publicatie in de Amerikaanse wetenschappelijke tijdschriften. De interesse in de Verenigde Staten voor de waanzin van het Nederlands onderwijs is helaas nihil. En dus is elk onderwijskundig onderzoek verzonken in de Engelstalige literatuur en losgezongen van elke werkelijkheid. Jacqueline Bulterman van de Vrije Universiteit schrijft niet voor niks in het internationale tijdschrift Educational Research, dat onderwijskundigen naast onderzoeken, ook les moeten geven… maar waarom zouden ze?

Knokken op de opiniepagina’s

Leraren, schoolleiders, bestuurders, wetenschappers en politici leven in hun eigen waarheid..  bij een ontmoeting knalt het… there’s a war going on. In een vermakelijke column schrijft Aleid Truijens over de schermutselingen. Ze veegt daarin de vloer aan met een zekere Wilma Cornelisse. Cornelisse gaat zich in het blad Schoolmanagement Totaal te buiten aan een bizarre complottheorie; leraren houden in samenwerking met krantenredacties vernieuwing tegen, om zo hun machtspositie te consolideren. Een infantiele manier van denken, die de opponenten van Cornelisse er overigens niet van weerhoudt zich aan hetzelfde schuldig te maken. Alleen zijn het dan samenzwerende managers, die in donkere krochten afspreken hoe ze de leraar onderdrukken.

Zo loeit het onderwijsdebat ons van de opiniepagina’s tegemoet. Iedereen heeft een mening. Beelden van vroeger en straks zijn gevuld met persoonlijke ervaringen… van de middelbare schooltijd, hoe die was of hoe die had kunnen zijn. Dat mondt uiteindelijk uit in een ideologische stellingname, ergens op het continuüm tussen de uitersten goed en fout.

Ronduit lastig is dat ze allemaal gelijk hebben. Truijens hamert op het gebrek aan basiskennis in rekenen en taal. Het is inderdaad bizar, de moeite die mijn leerlingen in de bovenbouw havo/vwo hiermee hebben. Het is ze kennelijk niet geleerd. Maar de hoogleraar Luc Stevens, propagandist van het nieuwe leren en gehaat door de Truijens-kant van het front, scoort eveneens. Hij meent dat leerlingen geen verantwoordelijkheid nemen voor hun leerproces, daardoor ontbreekt het hun aan betrokkenheid bij leren op school en dan is elke inspanning kansloos.

Zelfs die rare Wilma Cornelisse heeft een punt. Letterlijk schrijft ze: de leraar distribueert de kennis en beheert de poort naar hoger op. Wie niet kan opzeggen wat de leraar wil, verdwijnt naar de onderste regionen van het systeem die opleiden voor een onmondige, ondergeschikte toekomst. Klopt, zwakke leraren hebben het druk hebben met controle krijgen op de inhoud en de klas… juist zij sturen met het grootste gemak kinderen naar een lager schooltype.

Wat kan ik hiermee?

Laat in de middag, ik neem met een vijf havo groep van tweeëndertig leerlingen de macro economische boekhouding door. De verhalen van Truijens, Stevens en Cornelisse zitten in levenden lijve tegenover me. Slecht lezen en rekenen belemmert de betekenisverlening aan abstracte economische begrippen als investeringen in vaste activa en investeringen in vlottende activa. Geen onderscheid maken tussen absolute en relatieve getallen staat de oplossing van een probleemopgave in de weg. En ja, zonder succeservaring, is leren in een klaslokaal om half vijf, ronduit vervelend.

Ik heb het er maar mee te doen. Natuurlijk, ik ken de omstandigheden, weet waar ze vandaan komt. Meer vakken leiden tot minder lesuren per groep, meer leerlingen per leraar, dat past niet in het rooster en de roostermaker verlengt de schooldag. De lumpsum, het grondrecht de vrijheid van onderwijs en het Angelsaksisch managementdenken zijn de ronkende motoren achter de schaalvergroting op school- en bestuurlijk niveau. De daarmee verbonden focus op organisatiekwesties resulteert in een opgetuigd functiegebouw, wat leraren de mogelijkheid biedt te vluchten in bureaucratische functies. Opvattingen over wat een leraar moet weten en kunnen, de geringe aandacht daarin voor eruditie, maken het karwei af. Lesgeven wordt een triviale activiteit.

Maar wat heb ik aan die wetenschap, tijdens dat negende uur? Helemaal niks! Ik moet die les doorkomen en wel op zo’n manier dat iedereen aan het einde daarvan het gevoel heeft; dit stelde iets voor. De ene keer gaat dat op kracht, met dwang en intimidatie. Soms is er een geniale inval. Meestal breng ik het op routine tot een goed einde.

The culture of narcissism

De desintegratie, de meningenstrijd, de concrete gevolgen daarvan voor de leraar en zijn leerlingen, daar gaan de frontberichten op deze website over. Recente stukken staan op de openingspagina. Na verloop van tijd verdwijnen ze onder andere knoppen. Een commentaar op een nieuwsbericht of een beschrijving van een gebeurtenis in mijn klas, komen op het weblog. Een artikel of een column verdwijnt onder de knoppen met dezelfde naam en binnenkort begint het feuilleton over de carrière van een beginnende leraar.

De rubrieken publiciteit en inspiratiebronnen verdienen een nadere toelichting. De eerste laat zien dat mijn verhaal vaker is opgepikt, aandacht heeft gegenereerd en dus niet de hersenspinsels zijn van een maniakale mafkees. De inspiratiebronnen geven aan waar het allemaal vandaan komt.

Zo’n website heeft natuurlijk een zwarte kant, omdat die in de tijd van hyves en facebook, met aandacht voor de persoonlijke trivialiteiten en een eindeloze communicatie daarover, net iets te goed past in the culture of narcissism. Toch hoop ik dat aspect buiten de site te houden. Er is dan ook geen forum. Gekakel van zogenaamde reaguurders… niet hier. Het gaat  mij enkel om de presentatie van argumenten. Iedereen mag daar kennis van nemen, niemand hoeft dat, het debat is elders en helaas verdomd armoedig.

Mijn berichten van het front dienen één doel. Als het over onderwijs gaat, domineert een gevoel van machteloosheid, de materie is complex, de organisaties zijn groot en de inertie van de politiek helpt ook niet echt. De burger dient echter te beseffen dat als het om de kwaliteit van leraren en scholen gaat, hij wat te kiezen heeft. Het kan overal in Nederland anders… en vooral heel veel beter!

Published inArtikelen

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *