Deze column is eerder verschenen in het oktobernummer van Het Onderwijsblad
Minister Wiersma komt, ziet en schrikt in januari van dit jaar. Zoveel verloedering, zo weinig tijd, waar te beginnen? Wiersma kiest voor versterking basisvaardigheden. Zijn ambtelijke diensten gaan aan de slag. Zo schrijft de onderwijsinspectie: ‘Om goed mee te kunnen doen in de maatschappij is het belangrijk dat leerlingen en studenten bepaalde vaardigheden ontwikkelen. Het gaat daarbij onder meer om basisvaardigheden op de gebieden taal, rekenen-wiskunde en burgerschap… tijdens bestuursgesprekken kunnen basisvaardigheden een gespreksonderwerp zijn’.
Een matig geschreven tekstje dat vooral vragen oproept. Want hoe gaan kinderen meer basisvaardigheden leren van bestuursgesprekken? En wat zijn die basisvaardigheden eigenlijk? Een voorbeeld. Amsterdam slipt dicht door verkeer. Amsterdam slibt dicht door verkeer. Twee zinnen, verander een letter en de betekenis verandert mee. Die betekenis is geen vaardigheid, maar kennis. BTW en accijnzen als percentage van de aardgasprijs uitrekenen, kennis, procedurele kennis. En neem mijn vak. Economie. Net als in alle vakken zit daar burgerschap in. Eigendomsrechten, externe effecten, een functionerende rechtsstaat voorkomt dan roof en brengt welvaart, inderdaad, kennis. Zeg dat dan en inspecteer daarop, doe dat op de werkvloer, niet in bestuurskamer.
Die basisvaardigheden als baken voor verbetering, het is gevaarlijke misleiding. Het probleem is namelijk dat kinderen minder leren op school, waardoor de kennis van thuis aan belang wint, daar zit die kansenongelijkheid. En die is verklaarbaar, want kinderen zitten veel uren op school, maar tijdens die uren doen ze volgens onderzoeken van de OESO niet zoveel. Bovendien krijgen ze les van leraren waarvan het opleidingsniveau daalt. De mbo-onderwijsassistent mag kinderen leren lezen, terwijl diezelfde onderwijsassistent weinig affiniteit heeft met lezen. Maar ja, wat moet die school anders, het is dit of geen leraar? Het warme lichaam voor de klas en zelfs dat lukt soms niet. Vervolgens treedt de Nederlandse onderwijsparadox in werking; kinderen leren minder, gaan vaker naar havo/vwo, tegen waanzinnig hoge slagingspercentages. De toestroom op universiteiten is zo groot dat instellingen geen idee hebben waar ze al die studenten met weinig basiskennis moeten laten. De keiharde onderwijswet ‘de kwaliteit van instroom bepaalt de kwaliteit van uitstroom’ maakt het karwei af. Het eerder geleerde bepaalt wat je bij kunt leren. En dat bijleren is niet veel, want de Nederlandse student werkt naast de studie ook nog eens het meest in de EU. Kortom, een clusterfuck. Onderpresterend onderwijs zet de kenniseconomie in de stand terminaal en tast de cohesie in de samenleving aan. We begrijpen elkaar simpelweg slechter, Amsterdam slipt dicht door verkeer.
Wiersma is een verademing na zijn voorganger, de heer Kop In Het Zand, maar ook dan blijft die basisvaardighedenretoriek te weinig, te laat. En de minister van aanhoudende zorg moet wel beseffen; het is niet de val die telt, maar de landing. We zijn er bijna.

Be First to Comment