Het ontbreken van een werkbaar evenwicht tussen ruimte en regels, dat is in een notendop het probleem van grote onderwijsvernieuwingen als tweede fase en basisvorming. Te veel vakken, met ieder een bizar aantal eindtermen – geen school kreeg het georganiseerd. Het gevolg was chaos en kwaliteitsverlies in de vorm van slechte aansluiting met het vervolgonderwijs, vervroegen van de definitieve schoolkeuze en een groeiende demotie naar lagere schooltypen. Een Kamercommissie onder leiding van Jeroen Dijsselbloem onderzocht de invoering van de vernieuwingen. Hij is keihard voor de politiek, boterzacht voor de sector.
Wat is er aan de hand? Een voorbeeld. Oud-inspecteur Heim Meijerink ving als voorzitter van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming de lesinhoud voor het leergebied ‘mens en maatschappij’ in elf kerndoelen. Slechts twee daarvan beschrijven het programma voor het vak economie. Centrale explicitering van deze vage formuleringen bestaat niet. Leraren economie mogen doen wat ze willen, willen niet zoveel en werken met de residuen van de oude basisvorming. Een leerboek met als kennisbasis het mavo-programma uit de jaren tachtig moet kinderen in de derde klas havo/vwo economisch inspireren. Dat resulteert maar al te vaak in zinloze lessen. Is dat erg? Ja, maar de keuze is aan de school: leraren maken iets van het vak of het verdwijnt.
Meijerink was ook voorzitter van de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen. Vanuit die hoedanigheid pleitte hij juist voor specifiek en gedetailleerd voorschrijven van wat alle kinderen in Nederland moeten leren, met daaraan gekoppeld een regelmatige centrale toetsing. Is Meijerink een draaikont? Een opportunist? Helemaal niet. De topadviseur opereert behoedzaam binnen het dilemma ‘vastleggen of loslaten’. Een curriculum inhoudelijk en procedureel in beton gieten leidt tot bureaucratie, sabotage en defaitisme. Volledig loslaten staat voor verloedering en niveaudaling. Een balans vinden, dat is de kunst. Het leerrendement bij Nederlands, Engels, geschiedenis en wiskunde is een nationale kwestie, economie in de derde klas is dat niet.
De nuance van deze spanning tussen overheid en school gaat helaas aan de Kamercommissie voorbij. Dijsselbloem trakteert met zijn rapport het publiek vooral op veel gehoorde algemeenheden: Den Haag moet zich minder bemoeien met wat op scholen gebeurt, zich beperken tot de formulering van einddoelen, het nieuwe leren is niet beter dan het oude en dat geldt ook andersom. Maar de didactische keuzes waren en zijn aan de school, Den Haag heeft het werk in de klas niet bepaald, beperkte zich tot die eindtermen, deed juist dat verkeerd, wat vraagt om een nationale correctie in de vorm van duidelijke standaarden voor een beperkt aantal vakken, de rest is aan de scholen.
Niks van dat alles en dat maakt van Dijsselbloem de zoveelste handelaar in valse hoop. Hij constateert beleidsfalen, analyseert dit oppervlakkig met het begrippenpaar enerzijds anderzijds, waarna de bewindslieden kiezen voor een zoektocht naar consensus binnen de bestaande structuren. De boodschap keep on keeping on domineert, het inspirerende yes we can klinkt zelden. Misschien kunnen Nederlandse volksvertegenwoordigers eens reflecteren op hun politieke wil tot verandering. Mocht die er niet zijn… doe dan niet alsof.
Be First to Comment