Skip to content

7 deadly sins

Volkskrant commentator Hans Wansink kondigt met enige regelmaat de daadkrachtige onderwijspolitiek aan. De burger is in zijn analyse de verloedering zat en de partij die de publieke educatie op de agenda krijgt, wint de volgende verkiezingen. Een hoopvolle stelling, die helaas maar niet zichtbaar wil worden. Want hoe is de situatie werkelijk? Inderdaad, het gaat niet goed. Met name het voortgezet onderwijs bevindt zich in een diepe identiteitscrisis. Maar geen enkele minister, staatssecretaris of Kamerlid durft de oorzaken aan te pakken. Sterker, ze verdoezelen het falen, kijken weg. Daarom hieronder de kardinale zondes van de Nederlandse onderwijspolitici. Vanaf die constatering is het wachten tot de grote gelijkmaker toeslaat. Want de economische depressie is de strenge biechtvader die onze volksvertegenwoordigers keihard op de vingers gaat tikken… er komen betere tijden!

1. Nederland is een rijk land en heeft dus goed geoutilleerd onderwijs.

De Human Development Index (HDI) meet landenvergelijkend de welvaart. Daarbij bepalen naast het inkomen per hoofd ook minder direct meetbare factoren, zoals de levensverwachting en de zorg voor jongeren, de plaats in het klassement.

In de HDI staat Nederland op plaats zes. De VS bevinden zich bijvoorbeeld onder ons, maar hebben wel een inkomen per hoofd dat 10.000 dollar hoger ligt (VS ongeveer $42.000 en Nederland $32.000). Dus ja, Nederland is een rijk en welvarend land. Toch heeft het relatief weinig geld over voor onderwijs. Hoewel, het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk. Het ministerie van OCenW meldt dat de onderwijsuitgaven als percentage van de totale publieke uitgaven tussen 1995 en 2005 zijn gestegen van 8,9% naar 11,5%.
Dat klinkt aardig, maar de OECD cijfers uit het rapport Education at Glance geven een ander beeld. Nederland geeft jaarlijks twee procent van het bbp minder uit dan de VS, die ook nog eens per persoon meer verdienen. En het voor een dubbeltje op de eerste schoolbank willen zitten, is niet van gisteren, maar duurt reeds decennia. In de jaren zeventig besteedde Nederland tegen de 8 procent van het bbp aan onderwijs. Sinds begin jaren tachtig geeft de overheid jaarlijks –in huidige bedragen- tussen de 10 en 15 miljard euro minder uit dan toen. Bijzonder detail, deze radicale stap terug vindt plaats zonder in de sector ook maar één taak af te stoten. Hoger onderwijs privatiseren? Niet doen. Het middelbaar beroepsonderwijs laten uitdijen tot moddervette Regionale Opleidingscentra… geen punt. Kleinere klassen in het basisonderwijs? Moet kunnen! Conclusie, vooral het voortgezet onderwijs is slachtoffer van deze kaalslag.

Toen Tineke Netelenbos in 1998 van staatssecretaris van onderwijs werd gepromoveerd tot minister van Verkeer en Waterstaat zei ze; ‘de volgende periode is het voortgezet onderwijs aan de beurt’. Niet dus. Ook minister Plasterk smeert zijn extra gelden uit over alle sectoren. Elke elite moet immers aan de achterban een stuk van buit kunnen laten zien. Alleen al dat gegeven maakt de kans op ook maar enig zichtbaar positief maatschappelijk resultaat van de uitgavenstijging nihil.

2. De Nederlands overheid heeft sinds het aantreden van minister Plasterk meer geld over voor de leraar en zijn klas.

Dat is juist, de nominale bedragen besteed aan onderwijs zijn al jaren aan het stijgen. Na correctie voor de inflatie en het leerlingenaantal, verdwijnt een deel. Maar dat is misschien gezeur van economen. Nee, het echte een falen zit elders; het geld komt niet bij de leraar en zijn klas. De onderwijsraad onderzocht de geldstromen en constateerde dat die sinds verzelfstandiging in een zwart gat zijn verdwenen. De verzelfstandiging, de vrijheid van onderwijs en de budgettering –ook wel de lumpsum genoemd- leiden tot bestuurlijke schaalvergroting, rationalisering van de organisatie en grotere scholen. De leraar en zijn klas betalen dit bestuurlijk feestje.

Dat werkt zo; de overheid maakt geld over naar het bevoegd gezag, het bestuur -al dan niet op levenbeschouwelijke grondslag- heet de probleemeigenaar te zijn, die voor alles van arbeidsvoorwaarden tot schoolboeken verantwoordelijk is. Dus ontstaan fondsen die risico’s moeten afdekken en volgt een reeks van reorganisaties ter verhoging van het rendement van elke ingezette euro. Tja, dat kost geld en budget vrijmaken kan een schoolbestuur alleen door te bezuinigen op onderwijs. En die leraren pikken dat zo maar? Dat hun klassen groter worden? Dat ze te veel lessen geven? Niet allemaal. Maar, verzet wordt gesmoord door binding aan de organisatie middels baantjes.

De moderne instelling heeft namelijk niet meer managers dan vroeger, maar wel meer managementfuncties. Leraren participeren daar in. Een fors aantal vlucht in bureaucratische functies. De leraren die dienstbaar zijn aan de kennis, hun expertise willen delen met kinderen, hebben het nakijken. Hun ontwikkeling en wensen komen op de laatste plaats. Deze focus op organisatieperikelen komt de kwaliteit in de klas niet ten goede en ja, toch gaat het gewoon door.

Dat kan omdat het bestuurlijk middenveld zijn autonomie van de landelijke politiek in beton mag gieten. Zo maakt deze partij zich immuun voor corrigerende prikkels van de overheid en de markt. Het is dit allocatiedeficit dat leidinggeven in het onderwijs persoonsgeboden en intuïtief maakt. Het daarbij horende clièntelisme krijgt de sector er gratis bij; de leraar die zich persoonlijk bindt aan de schoolorganisatie krijgt toegang tot de coterie die de baantjes verdeelt. Inderdaad, in de middeleeuwen ging het precies zo.

3. Maar Plasterk komt met een fusietoets, daarmee gaat hij dit allocatiedeficit te lijf en brengt de menselijk maat terug.

Nee hoor, dat is weer zo’n misverstand. Klinkt mooi hoor, die menselijke maat, maar die fusietoets is een lachertje. De politiek heeft de scholen in de jaren negentig aan de bestuurders cadeau gedaan. Via de lumpsum komt bij hen voor elke leraar eenzelfde bedrag binnen, de zogenoemde gemiddelde personeelslast. Daarvan betalen ze al hun rekeningen.

Deze financiering van de soevereiniteit in eigen kring maakt schaalvergroting vanzelfsprekend. Door samenwerking neemt de financiële slagkracht toe, wat het bevoegd gezag verzekert tegen tegenvallers als een vergrijzend personeelsbestand of een hoog ziekteverzuim. In dit stelsel is bestuurlijke schaalvergroting zelfs voor leraren, ouders en leerlingen gunstig: meer geld maakt namelijk meer mogelijk. Het zijn dan ook vooral de kwetsbare kleine besturen die geld onttrekken aan het onderwijs met grote klassen en een zware lestaak. Zij potten noodgedwongen excessief op, omdat dezelfde risico’s een relatief grote reserve noodzakelijk maken.

Dat gegeven maakt het reële resultaat van een fusietoets ronduit cynisch: schaalverkleining zal de nationale reserve – het opgepotte geld van alle scholen samen – doen toenemen. Leraren die voor de klas staan, werken daardoor in slechtere omstandigheden.

4. Toch is het grondrecht de vrijheid van onderwijs een groot goed, want het stelt ouders in staat zelf een school op te richten.

Het wordt flauw, maar ook dat is niet waar. En dat is bepaald jammer, want de staatspedagogiek zoals de Fransen die kennen, waarbij Parijs de arbeidsverhoudingen, lesinhoud en didactische aanpak centraal aanstuurt, is evenmin van deze tijd. Kijk, wat we ook vinden van dat grondrecht, hoe we dat ook zien; kinderen zitten hele dagen op school en dus blijft het instituut in elke context een verlengstuk van de opvoeding. Vanaf het moment dat groepen mensen de kans krijgen zich in onderwijsaanpak gepassioneerd en met aantoonbaar resultaat te onderscheiden… van die betrokkenheid wordt iedereen beter. Geef leraren, ouders en leerlingen de ruimte het verschil te maken!

De sick joke is, juist in Nederland kan dat niet! Een school moet mega zijn, aangesloten bij een bestuurlijk kartel, want anders zijn financiële reserves onvoldoende. En wat blijkt? Al die kartels lijken op elkaar, het één grijze logge, oud Oost Europese brij. Ook dit heeft de onderwijsraad onderzocht. Bij 95% van de scholen telt bijvoorbeeld de levensbeschouwelijk achtergrond –toch de grondslag van de vrijheid van onderwijs- amper mee bij de inrichting van de organisatie. Kinderen worden op basis van hun achtergrond op deze instellingen niet geweigerd, wat zo iemand gelooft of vindt maakt niks uit. Politici houden het grondrecht overeind voor die 5% fundamentalisten. Veelal krijg het CDA van dit drama de schuld. Maar in de jaren negentig van de vorige eeuw regeerde paars. De ministers van onderwijs waren Ritzen en Hermans. Zij deden de gekste dingen, daar kon afschaffen van de vrijheid van onderwijs ook nog wel bij. Maar precies van het grondrecht uit 1917 bleven de heren af. De anachronistische bestuurscultuur kwam namelijk van pas bij de verzelfstandiging… dan wisten de bewindslieden tenminste waar ze die zakken geld over de muur konden gooien… om daarna hard weg te rennen.

5. Nederland is een kenniseconomie en heeft daarom hoog opgeleide leraren.

In landen als Frankrijk, Spanje en Italië, maar ook Denemarken en Finland, staan enkel academici voor de klas. Nederland doet dat anders.

De laatste jaren leveren academische lerarenopleidingen jaarlijks maximaal zeshonderd leraren af. Meer dan de helft daarvan is een paar jaar later uit het onderwijs verdwenen. De hogescholen leveren jaarlijks tien keer zoveel jonge leraren en die blijven eeuwig voor de klas staan, want kunnen verder nergens terecht. Dat komt omdat hogescholen werven onder zwakke havo leerlingen en mbo-ers. De reputatie van deze tweedegraads lerarenopleidingen is dan ook bar slecht. Volgens de hbo monitor beoordelen studenten de opleiding als zeer eenvoudig.

Kortom, de hoogopgeleide vertrekkende babyboomers worden vervangen door vakinhoudelijke brokkenpiloten, die vooral voor een baan voor de klas kiezen, omdat met jeugd omgaan ze misschien wel leuk lijkt. En ja, dit is kwalijk. Want veel debatten in het onderwijs worden gedomineerd door omkeerbare stellingen en containerbegrippen, maar één ding weten we zeker; hoog en competitief opgeleide leraren presteren beter! Een open deur van jewelste, die ook nog eens ingetrapt wordt het organisatiebureau McKinsey. Het onderzoek is gepubliceerd in the economist, onder de ronkende kop how to be top. Het toont overtuigend aan dat Finland dankzij de keuze voor leraren die niet alleen goed zijn in de omgang met kennis, maar daar ook plezier aan ontlenen, een succesvol onderwijssysteem kent.

6 Deze minister denkt toch in die richting, wat blijkt uit zijn Plan Leerkracht, de studiebeurs en de functiemix?

Klopt, hij denkt in die richting, maar handelt niet en het allocatiedeficit doet de rest; de resultaten zullen tegengesteld zijn aan de doelstelling. Binnen nu en tien jaar stroomt geen academicus meer het voortgezet onderwijs in.

Minister Ronald Plasterk zet zijn Actieplan Leerkracht om in een convenant met werknemers en werkgevers. Hierdoor krijgen eerstegraders op termijn zicht op een betere beloning, wat zittende leraren met een tweedegraads bevoegdheid uitnodigt tot studie en ontwikkeling. Werkgevers zijn middels quota gedwongen hieraan mee te werken. De zogenaamde functiemix verplicht schoolleiders tot een minimum aantal LC en LD functies. Voor de financiering van de studie van leraren ligt ook nog eens een beurzenfonds klaar. Het beleid lijkt succesvol. Er is een lerarentekort, het aantal onbevoegden voor de klas stijgt en kijk, als een deus ex machina is daar de grote sprong voorwaarts; het gaat goed met de lerarenopleidingen. Zo neemt het aantal aanmeldingen aan de hogescholen toe tot bijna 6700 studenten, tegen 5738 het vorig jaar. Dat is na een periode van krimp een spectaculaire stijging van 17 procent. Wat niet in de kranten staat is dat tegelijkertijd zich op de universitaire lerarenopleidingen weinig verandert. Daarmee is de eerste zeperd binnen. De uitstroom van oudere academici is enorm, de instroom een druppel op een gloeiende plaat.

Hoewel, misschien brengt de studiebeurs van het Convenant leerkracht uitkomst? En ja, weer zijn de berichten in beginsel positief. Het aantal aanmeldingen overschrijdt elke verwachting. Zittende leraren gaan aan de studie. Maar ook hier is wat je ziet, niet wat je krijgt.

Leraren met een tweedegraads bevoegdheid willen een eerstegraads, omdat die dankzij de functiemix –elke school moet een quotum LC en LD functies vullen- een salarisverhoging van duizend euro per maand in het vooruitzicht stelt. Die eerstegraads bevoegdheid kunnen ze aan een hogeschool of aan een universiteit halen. De bevoegdheid mag gelijk zijn, de opleidingen zijn dat niet. Toegang tot de universitaire lerarenopleiding is enkel mogelijk met een universitaire vakmaster. Voor hogeschoolbachelors – de tweedegraders – betekent dat minimaal twee jaar vakinhoudelijk keihard studeren om enkel en alleen aan de eerstegraads opleiding te mogen beginnen. Omdat dit naast het werk moet, en de tentamens streng selecteren op kennis, is de kans op falen groot. Vandaar dat zij unaniem kiezen voor een hogeschooltraject. Dat staat voor één keer in de week laat in de middag een bezoek aan de opleiding. Ondertussen blijven lestaak en inkomen wat ze waren en neemt de studiebeurs de financiële risico’s weg.

Het maatschappelijk rendement van het Convenant leerkracht is dankzij de dominantie van dit opleidingstraject negatief. Want wat gebeurt er? De functiemix is vanaf 2014 definitief, dat is ook het jaar dat schoolleiding de dure baantjes opvult met eigen volk; de door de hogescholen omgebouwde eerstegraders. Die blijven daar voor eeuwig. Mocht een academicus voor het onderwijs kiezen dan kan hij met de pet in de hand, achteraan aansluiten op het vmbo. En dan maar wachten tot een andere functie vrijkomt… dat gaat niet gebeuren.

7. Ach, al dat gedoe over geld en organisatie, zo lang Nederlandse kinderen zich kunnen ontwikkelen naar hun mogelijkheden, is er weinig aan de hand.

Precies, en daar zit dan ook het verdriet. Want hier gaat het echt mis. Nederland heeft een stevige schooluitval in het voortgezet onderwijs. Volgens het CBS zijn het er de ene keer 80.000 en dan weer 70.000. Volgens het kabinet daalt het aantal met 10.000 per jaar. Het is maar hoe je het bekijkt, want de manier van registreren verschilt nogal. Bovendien, daar zit het echte probleem niet. In de grote steden sturen basisscholen 70% van de kinderen naar het vmbo, daar werken leraren minder met vakken en meer met competenties, dat maakt de kloof in dit Tweestromenland onoverbrugbaar en dus is de kans op hoger onderwijs verkeken.

Als deze kwetsbare groep vmbo-ers doorstroomt naar het middelbaar beroepsonderwijs, gaat de uitval in de overdrive. Ook de aansluiting tussen havo/vwo en het hoger onderwijs klopt niet. Volgens de instelling is de uitval in het eerste jaar 30%. Navraag leert dat het percentage in ieder geval op de economische en juridische afdelingen vele malen hoger ligt.

Hoe dat kan? Kijk, een kind voldoet op een school aan een set van eisen die de samenleving hem stelt, leert in de onderdelen waar hij affiniteit mee heeft en ontmoet leeftijdgenoten en volwassen rolmodellen. Het evenwicht tussen die zaken is zoek. Dat komt door de grote vernieuwingen en hun interne inconsistentie; aan de ene kant de maatschappelijke eis ambitieus uitgewerkt in eindtermen en daar tegenover de propaganda voor pedagogisch didactische concepten rond de individuele leervragen van kinderen, gericht op het echte leren. De een –de overladen inhoud- sluit de ander –het leren van kinderen- uit. Een uniforme maatschappelijke eis impliceert dat het kind daar op een bepaalde leeftijd aan voldoet. De individuele leervraag centraal stellen betekent dat het kind ruimte krijgt op om basis van kwaliteiten en interesses zich in eigen tempo te ontwikkelen. Een nationale onderlinge afstemming tussen deze twee is een noodzakelijke voorwaarde voor succes.

De daling van het opleidingsniveau van leraar maakt de zaak er niet beter op. Het is zonder vakinhoudelijke bagage lastig om in deze chaos een beroepsidentiteit te ontwikkelen. En dus leren kinderen weinig op school, vervelen zich, kijken neer op het instituut. In tijden van globalisering zit hier de kardinale zonde bij uitstek. Onze kinderen concurreren met jongeren over hele wereld. De Nederlandse jeugd begint die strijd met een forse achterstand.

En nu?

Seven deadly sins, that’s how the World begins suggereert dat de kardinale zondes van alle tijden zijn; ze onderkennen hoort bij verandering. Precies dat maakt de stelling van Wansink op termijn misschien toch kansrijk. Want het geld is op. Het percentage van het bbp besteed aan onderwijs zal stijgen, niet door groeiende uitgaven, maar door een dalend bbp. Dat is het vlijmscherpe mes op de keel van onze onderwijspolitici. Angst voor de zeis zal ze verplichten tot het stellen van prioriteiten en het opschonen van de in en in corrupte structuren. De tijd van in de buidel grijpen, ongenoegen afkopen en iedereen te vriend houden, is voorbij.

De politicus die durft, echte veranderingen voorstelt, bereid is de sector pijn te doen en prestaties eist, uitlegt dat dit de enige weg naar de welvaart van toekomst is, zou inderdaad wel eens de verkiezingen kunnen winnen…. ooit.

Published inArtikelen

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *