Skip to content

Bezuinigen op onderwijs? Ja, graag

Het is wel eens anders geweest, maar tegenwoordig is meer geld voor onderwijs een populair politiek standpunt. De achterliggende gedachte luidt: de wereldhandel stort in, door globalisering verdwijnt de nijverheid naar lage-loon-landen en het aardgas raakt ook nog eens op. Investeer daarom in de kenniseconomie, dat is goed voor onze toekomstige welvaart. Het kabinet sluit hier bij aan en komt bij de presentatie van de crisisaanpak ter zake; de OESO-norm is voortaan het budgettair ijkpunt. Concreet betekent dat een uitgavenvergroting van één procentpunt van het bruto binnenlands product (bbp), wat staat voor een jaarlijks terugkerend miljardenbedrag.
Onderwijsbestuurders vinden dit echter niet genoeg. Zij sturen een brandbrief naar de Tweede Kamer; de lerarensalarissen zijn onbetaalbaar. Groen Links pikt dit signaal op en start een handtekeningactie onder de alarmerende titel stop de bezuinigingen. De parlementariërs Tofik Dibi en Femke Halsema schrijven op hun website: de lerarensalarissen moeten omhoog, de schooluitval omlaag, de klassen kleiner en de begeleiding van (zorg)leerlingen beter.

Klinkt mooi, maar is vrijblijvend, omdat de redenering financieel grenzeloos en dus sentimenteel is. Dibi, Halsema en de bestuurders zeggen eigenlijk; onderwijs is heeeeeel belangrijk, dat mag wat kosten, voer daarom actie. Maar de burger heeft in slechte tijden niet veel meer over voor onderwijs en dat gaat wel gebeuren, als deze big spenders hun zin krijgen. De verplichtingen van het convenant leerkracht, een relatief mooie CAO en een krimpend bbp, zorgen er namelijk voor dat de uitgaven als percentage van dat bpp door elke grens heen dreigen te gaan. Bij Groen Links heet dat misschien investeren… het is budgettaire incontinentie.

De risico’s daarvan zijn genoegzaam bekend. In de jaren zeventig moest de samenleving mooier, onderwijs speelde daarin een rol en ook toen ging de economie door een dal. Terwijl elk financieel draagvlak ontbrak, verbrasten bewindslieden miljarden guldens. Begin jaren tachtig maakten teruglopende leerlingenaantallen de onderwijsbegroting definitief onbeheersbaar. Gevolg? Er kwam een sloophamer uit de kast en die sloeg ons twee decennia lang het licht uit de ogen. De uitgaven zaten voor negentig procent in de salarissfeer, dus vielen daar de klappen. Toen de economie vanaf half jaren negentig explosief groeide, was de beloning voor leraren laag, de werkdruk hoog en konden afgestudeerden elders terecht. Sindsdien is een carrière voor de klas geen serieuze optie meer. Daardoor daalt het opleidingsniveau van docenten en leren leerlingen op school minder dan ze kunnen leren.

De huidige minister, Ronald Plasterk, heeft oog voor dit falen. Op de uitwerking valt van alles aan te merken, maar dat geldt niet voor zijn intenties en de financiële vertaling daarvan. Plasterk zet in op scholing, komt afspraken na, maar zal, indien nodig, de begroting naar beneden bijstellen. Gelukkig maar, want de ervaring leert dat als de rest van Nederland terugmoet en het onderwijs doorfeest, we later betalen… met woekerrente. Terwijl iedereen dan monter uit het dal klimt, geniet van groeiende voorspoed, blijven wij berooid achter en gaan als gilde van sukkels door het leven. Het is jammer, maar bezuinigen moet soms.

Published inColumns

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *