Skip to content

Zo vader, zo zoon

Stephen Curry is de beste basketballer van de wereld. Hij speelt in de Amerikaanse profcompetitie voor Golden State Warriors. Zijn vader is Dell Curry. Dell basketbalde ook. Voor Utah, Cleveland, Charlotte, Milwaukee en Toronto. In 1994 de beste zesde man. Kortom, pa is de mindere, maar ze delen wel een fantastisch afstandsschot. Zo vader, zo zoon. Dat zie je vaker bij sporters. De voetballer Ruben Schaken heeft twee zoontjes. De een speelt bij Ajax. De ander bij Feyenoord. Johan Cruyff had Jordi. Bij muzikanten werkt het eender. Dweezill Zappa speelt voor volle zalen de solo’s van zijn overleden pa. Jacob Dylan verdiende op een gegeven moment met zijn band The Wallflowers beter dan zijn legendarische vader Bob.

Raar is deze beroepsvererving niet. Sporters en muzikanten hebben gemeen dat ze onder druk van het publiek oordeel, toch een scherp snijdend zwaard van Damocles, vanuit een ambachtelijk referentiekader, in hoog tempo, beslissingen achter en door elkaar nemen. Naast talent, hard werken en veel weten over het vak, voeden opvattingen en attitude de effectiviteit van het handelen. En Stephen Curry, Dweezill Zappa en Jacob Dylan zijn hiermee opgegroeid. Zij begrijpen hun omgeving van weerstand en succes. Dat begrip zit in hun lijf. Daardoor zijn hun timing en professionele dictie aangeleerd natuurlijk.

Leraren zijn hierin als sporters en muzikanten. Kinderen uit een lerarengezin zijn niet vanzelf goed in het vak, maar ze hebben wel een voorsprong. Mijn vader gaf les. Vanaf mijn eerste levensjaar kwam ik op scholen. Leerlingen kwamen bij ons thuis. De omgang zag en onderging ik. Mijn vader sprak in 1960 vanaf klas één Frans met zijn leerlingen. Zij moesten in dezelfde taal iets terugzeggen. Tegenwoordig heet dat onderdompelen. De uitleg in het huiswerk, de toepassing in de klas, ook in die dagen werd the classroom geflipt. Echt, in het onderwijs is alles gedaan. Niet iets nieuws bedenken, maar eigentijdse technieken en traditie met elkaar verbinden is de uitdaging van de moderne school. Daar hadden wij het over. Aan tafel. Vaak mondde dat uit in geruzie. Over wat dat is. Een goede les. Een goede leraar. Toen ik voor de klas koos, vroeg mijn moeder me of dat een goed idee was. Tijdens de huiselijke twisten had ik zoveel kritiek. Mijn door jeugdige arrogantie gevoede antwoord luidde; precies dat is mijn motief, ik ga het beter doen. En het was misschien misplaatst, maar ik wist wat ik bedoelde. Ik had opvattingen. Kende de beroepsattitude.

Kinderen van sporters en muzikanten treden nog steeds in de voetsporen van hun ouders. Maar de kroost van mijn collega’s wordt geen leraar meer. Ook de mijne niet. Twee zonen hebben als onderwijsassistent gewerkt. Om wat geld op te halen. Een studiezaal stilhouden. Bijles geven. Het ging ze makkelijk af. Maar ondanks dit natuurlijk gemak willen ze geen leraar worden. Ze maken graag gebruik van mijn praktijkkennis, maar willen nooit zijn als ik. Waarom niet? Tja, wat zou dat nou toch zijn?

Published inColumns

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *