Skip to content

Ontwikkel je! Okay, doe dan maar niet

Verschenen in De Nieuwe Meso december 2018

Leraren hebben – eufemistisch gesteld – een beperkt gemeenschappelijk en professioneel referentiekader dat hun handelen in de klas stuurt. Lerarenopleidingen proberen het aan te brengen, maar de weerbarstige dagelijkse praktijk heeft dat in een paar maanden verkruimeld. De ontwikkeling van de leraar berust vooral op toeval en particuliere inzet. Elke poging de cohesie in het beroep te versterken, verdwijnt in een groot donker bos. Het register doolt daar momenteel rond. 

Ik geef drie dagen per les op een middelbare school en werk twee dagen voor een universitaire lerarenopleiding. In die laatste functie worstel ik twee keer per jaar met dezelfde frictie. De lerarenopleiding geeft een master af en daar hoort een onderzoek bij. Maar ja, het is ook een beroepsopleiding, met een dominante praktijkcomponent. En dus is er weerstand als ik het vakdidactisch ont- werponderzoek in de grondverf zet. Mijn studenten zeggen: we deden onderzoek, komen hier om te leren lesgeven, wat een onzinnige herhaling van academische zetten is dit. Ik acteer de ‘wat zullen we nou krijgen verontwaardiging’. Leg uit dat je leert lesgeven door te doen. Maar alleen doen is niet genoeg. We doen vanuit wat we weten van onderwijzen. Of wat we weten ook daadwerkelijk werkt, bij jou en jouw klassen, onderzoeken we. Soms.

Er is altijd een student die in de weerstand blijft hangen. Die overtuig ik met een voorbeeld. Ze hebben allemaal artikelen van de Amerikaanse wetenschapper Jere Brophy gelezen. Hij stelt bijvoorbeeld dat motivatie voor leren op school het product is van de waarde van de leerstof en het gevoel de taak succesvol te volbrengen (Brophy, 2004). En ik ben benieuwd hoe een beginnende leraar dat doet, op 4-havo, de leerstof van waarde maken. En kinderen van vijftien jaar het gevoel geven dat ze dit kunnen. En daarna wil ik ook weten of die kinderen dat het product van Brophy ervaren. Mij lijkt dat zinnig. 

Routine en innovatie 

Op de universiteit is het klusje zo geklaard. Mijn studenten moeten langs me. Geen passage is geen bevoegdheid. Hoe anders gaat professionele ontwikkeling op mijn school. Jaren terug heb ik zogenaamde leerkringen opgericht. Daarin konden collega’s onder leiding van een expert leren wat zij interessant vinden. De resultaten in een notendop: er was oprechte belangstelling, bij een deel, iedereen moest meedoen en volgens de roostermakers was er geen tijd. Dit resulteerde in een beperkt aantal zittingen. Laat in de middag. Onder dwang. Een aantal collega’s zei ostentatief niks en staarde naar de telefoon. Verantwoordelijkheid nemen voor situatie, weggaan en iets anders doen, het gebeurde niet. Ze moesten hier immers zijn van hun leidinggevende. 

Natuurlijk, niet meer dan een ongemakkelijk incident. Maar ik heb vanuit mijn werk op de universiteit op veel plaatsen professionaliseringsbijeenkomsten verzorgd. We vinden elkaar altijd aardig, de sfeer is geanimeerd, maar leren blijft lastig. Want daarvoor moet je een inspanning verrichten. Stukken lezen, daar iets mee doen in je lessen, daarover nadenken, voornemens destilleren, kijken of de uitvoering iets doet, daarover praten. En de deelnemers zeggen: we hebben geen tijd, volle klassen, nakijkwerk. Ik vraag: of bedoel je misschien ‘geen zin’? Het antwoord luidt steevast: dit gesprek is interessant, echt, maar het loopt aardig in mijn klassen, en ja, het zal best beter kunnen, maar ik heb momenteel andere prioriteiten. 

Een verdrietig moment, want ontkennen van het belang van ontwikkeling is het equivalent van welvaartsverlies. Het is ook bekend hoe dat gaat, een betere leraar worden. Lesgeven leer je door lezen, kijken, doen, praten en onderzoeken. Met collega’s. De ontwikkeling in de richting van expert vindt plaats binnen de dimensies routine en innovatie (Janssen e.a., 2008), zoals weergegeven in de onderstaande figuur. Horizontaal staat de routine afgezet. Verticaal de innovatie. De gewenste leerroute bevindt zich binnen de aangegeven baan. Middels een dialectisch gesprek tussen routine en innovatie ontwikkelt de leraar zich naar de rol van expert. 

Ontwikkeling buiten die baan is onbevredigend. De leraar die rechts onderaan zit, is top in de routine. Kinderen zijn stil, luisteren, schrijven, maken hun opdrachten, maar eigenlijk vervelen zowel de leraar als de leerlingen zich. De eigen winst is zo snel mogelijk wegwezen. Links bovenin maakt evenmin vrolijk. Innovatie is een doel op zich, leerlingen begrijpen vaak niet wat van ze verwacht wordt, de resultaten vallen daardoor tegen, de le- raar strandt in de frustratie van het miskend talent. Een tegenvaller die doodmoe maakt. 

De win-win voor de schoolorganisatie zit in de bandbreedte. Leraren hebben plezier in het werk, leerlingen leren meer en de school wint aan status. 

De hamvraag luidt: waarom verblijven leraren veelal buiten die bandbreedte?

Uit balans 

Die vraag fascineert me ruim twintig jaar. Ik heb er twee boeken over geschreven: De ondergang van de Nederlandse leraar (2007) en Het bezwaar van de leraar (2018). Verbazingwekkend is: elk initiatief om het amateurisme de school uit te vegen mislukt. Neem de laatste poging, het register. Dat zou vanaf 2017 het professioneel onderhoud ter hand nemen. Het liep vast in een Machiavellistisch spel tussen overheid, leraren en werkgevers. 

Leraren staan inmiddels decennialang geparkeerd in de stand ‘Ontwikkel je! Okay, doe dan maar niet’. Een samenhangende aanpak die routines en innovatie met elkaar in gesprek laat gaan, uit- mondend in een referentiekader, als breed ervaren basis voor verdere groei in het beroep, die bestaat niet. Professionalisering van leraren is persoonsgebonden, intuïtief en toevallig. Niemand heeft hier belang bij. 

De verklaring dan maar? Met de econoom Lans Bovenberg werk ik aan beter economie-onderwijs. Door hem ben ik dit verval gaan begrijpen. Economie gaat over het besturen van het leven. Bij die besturing zijn we van nature in balans. We zijn rationeel, overzien onze belangen, we kiezen verstandig en maken gebruik van elkaars kwaliteiten, we werken samen, zijn meer dan de som der delen. Maar dit is niet vanzelfsprekend. We raken namelijk net zo makkelijk uit balans.

Een leraar wil dat kinderen leren, zelf wil hij ook vooruitkomen, thuis is van alles te doen, er is behoefte aan rust en dan zijn er nog de onvervulde verlangens, samenhangend met een langdurig verblijf op dezelfde werkplek. Die leraar krijgt deze conflicterende belangen onmogelijk vertaald in verstandige professionele handelingen in zijn klas. Begrenzingen in rationaliteit en moraliteit voeden de disbalans. Hij overwaardeert bijvoorbeeld rust, gebruikt alleen werkvormen waarbij iedereen stil is. Of kinderen ook wat leren? Daar denkt hij nooit over na. Bij hem is het stil. Bij de buurman niet.  

page66image2924352

Bij hem is het dus beter. Punt. Dit begrensd rationeel gedrag krijgt hij gelegitimeerd vanuit zijn begrensde moraliteit: alleen de eigen winst telt. Aan het begin van de les tien minuten met een collega praten, niks mis mee. Wat er aan het begin af gaat, komt er aan het einde niet bij. Een zaak voor de schoolleider, zou je denken. Maar dan treedt het klassieke probleem van de principal agent in werking. De belanghebbende bij goed onderwijs, de principaal, kan onmogelijk weten wat zijn agenten, de leraren, daadwerkelijk doen. Hij wil het vaak ook niet weten, want hij raakt eveneens uit balans door de zinderende belangen en doelen om hem heen. Bestuur, overheid, directieleden, ouders, publieke opinie. Verstandig kiezen in dit krachtenveld, doe het maar eens. En dus glijden partijen van elkaar weg. Met het afbrokkelend beroepsbeeld van de leraar als de te betalen prijs. 

Weer in balans 

Bovenberg noemt in zijn oratie (2016) drie medicijnen die balans brengen: zelfbinding, hiërarchie en inwisselbaarheid. De mensheid slikt deze medicijnen al eeuwen. Inname is een garantie voor welvaart en groei. Herstel begint bij urgentie. Leraren, bestuurders, schoolleiders zullen zichzelf moeten binden aan het systematisch werken aan een gezamenlijk beroepsbeeld. Wat is een goede les? Wat is een goede leraar? Deze zelfbinding kan door middel van een register. Zoals bij artsen. Maar leraren hebben geen vrij beroep. Ze zijn in loondienst bij een werkgever. Professionalisering vindt bovendien plaats op school, daar zit het wederzijds belang. En dus ligt het voor de hand dat schoolleiders en leraren die binding hardop en tegen elkaar uitspreken. Van daaruit zijn ze aanspreekbaar. 

Hiërarchie wil zeggen dat er nationale afspraken en regels komen omtrent werken aan een gemeenschappelijk beroepsbeeld. Vastleggen wat binnen de bandbreedte van innovatie en routines valt. Uit een review blijkt dat leraren het nut inzien van professionalisering gerelateerd aan het vak dat ze geven en de daarbij horende didactiek (van Veen e.a., 2010). Laten we het daar dan ook maar even bij houden. 

Dus geen mindfulness en omdenken. Ook nationaal vastleggen van hoeveel geld en uren school en leraren minimaal hieraan besteden ligt voor de hand. Tot slot is inwisselbaarheid een medicijn. Probeer zelf eens wat en als daar niks uit je komt, voor jou een ander. Het grote taboe in het onderwijs. De vraag, is dit werk eigenlijk wel iets voor jou? Ik zie geen routines. Geen innovatie. Laat staan een dialectisch gesprek. Ga lekker wat anders doen. Van de 100 academici zijn er na vijf jaar nog 28 over en dat heeft alles te maken met deze vrijblijvendheid. Degene die elders terecht kan, vertrekt. Scholen mogen best wat strenger zijn tegen hun personeel. 

Ja, zal menig schoolleider zeggen. Dit doen we al. Of: het kan niet. En dat is precies het antwoord dat leraren geven na een bijscholing. Leraren en schoolleiders hebben meer gemeen dat ze zelf weten. Bij die constatering begint de verbetering. 

Literatuur 

• Bovenberg, L. (2016). Economieonderwijs
in balans� 
Zie: https://pure.uvt.nl/portal/ files/14530163/D20161222_Oratie_L_Boven- bergFINAL.pdf. 

• Brophy, J. (2004). Motivating students to learn. Zie: http://www.erasmusgrobina.lv/images/moti- vation/JereE.Brophy.Motivating-Students.pdf. 

• Janssen, F., I. Veldman en J. van Tartwijk (2008). Professionele docenten opleiden. Een opleidingsvisie. In: Velon Tijdschrift. Zie: http:// www.lerarenopleider.nl/velon/ledensite/files/200 8/03/29_1_1JanssenVeldmanTartwijk.pdf. 

• Haperen, T. van (2007). De ondergang van de Nederlandse leraar� Amsterdam: Nieuw Amsterdam. 

• Haperen, T. van (2018). Het bezwaar van de leraar is uitgegeven� Amsterdam: University Press. 

• Veen, K. van e.a. (2010). Professionele ontwik- keling van leraren� Een reviewstudie naar effectieve kenmerken van professionalise- ringsinterventies van leraren� Zie: https://www. bvekennis.nl/Bibliotheek/13-0362.pdf. 

Published inArtikelen

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *